Franz Fischler
©epa
Het gemeenschappelijk landbouwbeleid moet worden aangepast aan de nieuwe noden van de consument maar moet niet worden geschrapt.

Het uitbreken van de mond- en klauwzeer, zo kort na de verwoestende effecten van de gekke-koeienziekte, heeft opnieuw voor onrust gezorgd over het gemeenschappelijk landbouwbeleid van de Europese Unie. De consumenten vinden dat er een kloof ligt tussen wat de voedingsproducenten leveren en wat zij willen. Een beleid dat overschotten aanmoedigt die dan weer voor vrij veel geld weggewerkt dienen te worden, wordt niet meer aanvaard. En dat is terecht.

De Europese voedingsproducenten moeten de nieuwe realiteit onder ogen zien. De nadruk ligt steeds meer op veiligheid. De grote meerderheid van de consumenten wegen de risico's en voordelen af met een zeer lage tolerantie. Milieuaspecten zijn steeds belangrijker. De productiemethodes, worden nauwgezet in de gaten gehouden, waarbij veel aandacht gaat naar het dierenwelzijn.

Het hervormingsprogramma -- Agenda 2000 -- van de Europese Unie, dat in 1999 werd goedgekeurd, beantwoordt aan die bezorgdheid. De doelstellingen van het beleid zijn een concurrentiële landbouwsector zonder te grote subsidies, gezonde en milieuvriendelijke productiemethodes en een eerlijke levensstandaard en een stabiel inkomen voor de landbouwers.

Die doelstellingen kunnen tegenstrijdig zijn. Het nastreven van een goede concurrentiepositie kan leiden tot een landbouw waarbij enkel kwantiteit geldt. Maar een sterker accent op kwaliteit houdt in dat de productiekosten stijgen en dat de prijzen voor de consument stijgen.

Hoe kunnen we die doelstellingen verzoenen? Het antwoord ligt in het concept van duurzaamheid op economisch en sociaal vlak en op het vlak van milieu. Om op al die vlakken een duurzaamheid te bereiken heeft Europa een gemeenschappelijk landbouwbeleid nodig. Maar er zijn mensen die dat beleid willen schrappen.

Dat zou rampzalig zijn. Het verschil tussen de Europese prijzen en de wereldprijzen zou heel wat druk zetten op de Europese landbouwprijzen, de inkomens van de landbouwers en op de structuur van de landbouwbedrijven. Het resultaat kan zijn dat er dubbele industrie ontstaat met aan de ene kant een extensieve productie om aan de vraag van de welgestelden te voldoen, en aan de andere kant een voornamelijk intensieve landbouw die voedsel goedkoper produceert om aan de wereldprijzen te voldoen.

Het hart van het Europese landbouwsysteem, de familiale landbouwbedrijven, zou tussen die twee uitersten gekneld raken. De landbouw in minder gunstige gebieden zou ophouden te bestaan, met schade aan het milieu en woestijnvorming tot gevolg. Dat zou resulteren in een kleinere diversiteit op het vlak van landbouw en plattelandsleven.

De vraag is dus duidelijk niet of we de landbouw moeten steunen maar hoe we dat moeten doen. De landbouwhervormingen van de Commissie hebben de jongste tien jaar concrete successen opgeleverd: overschotten van vlees, graan en melk zijn gedaald, granen voor veevoer worden meer binnen de EU geproduceerd, de budgettaire uitgaven zijn gestabiliseerd. Voor de hervormingen besteedde de EU 90 procent van de landbouwuitgaven aan prijsinterventies en gesubsidieerde export van voedselbergen. Als Agenda 2000 volledig is uitgevoerd, dan zullen die kosten slechts 20 procent meer vertegenwoordigen. De landbouwuitgaven van de EU daalden van 2,6 procent van het bruto binnenlands product tussen 1986 en 1988 naar 1,5 procent in 1999.

Het gemeenschappelijk landbouwbeleid kan een vergelijking weerstaan met het Amerikaanse landbouwbeleid. Terwijl de EU haar begroting heeft bevrozen, is de directe steun aan de Amerikaanse landbouw sinds 1996 met ongeveer 700 procent toegenomen. Volgens de Oeso gaven de Verenigde Staten aan hun twee miljoen landbouwers voor 103,5 miljard dollar aan steun terwijl de EU 92,3 miljard dollar spendeerde aan haar zeven miljoen landbouwers.

Er kan natuurlijk gediscuteerd worden over de snelheid en de draagwijdte van de Europese hervormingen. Maar er bestaat geen twijfel over dat de voorstellen van de Commissie ambitieuzer zijn dan de meeste lidstaten bereid zijn te aanvaarden.

Toch zijn er drie domeinen waarin de Commissie vooruitgang moet boeken. Ten eerste krijgt de EU de kritiek dat ze te veel uitgeeft aan productie en te weinig doet om het milieu en het landschap te beschermen. Slechts tien procent van het landbouwbudget bijvoorbeeld gaat naar plattelandsontwikkeling. Dat is misschien de grootste kloof tussen de verwachtingen van de maatschappij en de realiteit.

Ten tweede kunnen de lidstaten momenteel de directe betalingen aan de landbouwers verminderen als die niet voldoen aan de milieuverplichtingen. Maar slechts enkele landen hebben dat gedaan. Europa kan en moet verder gaan.

Ten derde mogen de lidstaten nu rekening houden met de verschillende kostenstructuur tussen grote en kleine landbouwbedrijven en kunnen ze de steun aan grote bedrijven met 20 procent verminderen. Dat geld mogen ze gebruiken voor bijkomende maatregelen om het milieu of de biologische landbouw te promoten. Tot onze teleurstelling hebben enkel Frankrijk, Groot-Brittannië en Portugal van die mogelijkheid gebruik gemaakt. Het is de moeite waard om ons af te vragen of we alle andere lidstaten moeten verplichten hun voorbeeld te volgen. Ik denk van wel.

Ik ben van plan deze zaken op tafel te leggen tijdens de tussentijdse evaluatie van het Agenda 2000, die in 2002 plaatsvindt.

De toekomst van het beleid moet erin bestaan promotie te voeren voor een kwaliteitsvolle, marktgeoriënteerde, milieuvriendelijke landbouw. Ik ben vastbesloten om dat te realiseren.

(De auteur is Europees commissaris van Landbouw.)