Multimedia, IT-technologie
©ap
De Grote Technologiezeepbel van het eind van de twintigste eeuw kan nagenoeg op voet van gelijkheid met de ophefmakendste voorbeelden uit het verleden de financiële geschiedenis ingaan. De intrigerendste vraag is hoe ze ondanks -- of misschien wel mede dankzij -- zo veel financiële expertise tot stand kon komen.

In de jaren 1630 eindigde de tulpenbollenhysterie met een prijsdaling van 93 procent. In 1720 liep de Franse Mississippi-bubble leeg, met tussen piek en dieptepunt een daling van 99 procent. In datzelfde memorabele jaar onderging de South Sea Company een soortgelijk lot: in amper acht maanden daalden de koersen met 84 procent.

De taferelen die zich op de beurzen van de technologieaandelen hebben afgespeeld, moeten daar niet sterk voor onderdoen. De Nasdaq viel terug tot een derde van zijn topniveau, en op de nieuwe markten in Europa was de klap nog zwaarder. Of we het nu wel hebben gehad, valt nog te bezien: analisten die met hun koopadviezen de euforie voedden, waarschuwen nu dat heel veel technologieaandelen nog altijd duur zijn.

Belangrijker dan de vraag hoe de koersen zo laag konden vallen is natuurlijk het raadsel hoe ze zo hoog konden klimmen. Men hoeft klaarblijkelijk geen dwaas te zijn om zich door het aanstekelijke optimisme te laten meeslepen. Toen de grote wetenschapper Isaac Newton begin 1770 naar zijn beursverwachtingen werd gevraagd, antwoordde hij dat hij wel de bewegingen van de hemellichamen kon berekenen, maar niet de dwaasheid van de massa's. In april verkocht hij al zijn South Sea-aandelen met een rijkelijke winst, maar in de vroege zomer, net op het moment waarop de koers haar hoogste peil bereikte, stapte hij toch weer in de markt.

Dat voor technologieaandelen prijzen werden betaald die achteraf beschouwd steeds waanzinniger waren, had in essentie te maken met overtrokken winstverwachtingen. Een nieuwe revolutie, te vergelijken met die van de spoorwegen en van de elektriciteit, zou de wereld van aanschijn doen veranderen en voor de ondernemingen onvermoede mogelijkheden openen.

Is een winstgroei van 25 procent per jaar dan geen voorzichtige raming? Op die basis zit een bedrijf dat vandaag een miljard winst maakt, over twintig jaar aan een jaarwinst van 86 miljard. Met zo'n perspectief voor ogen hoeft men niet te aarzelen: men moet kopen, wat ook de prijs of de koers/winstverhouding is -- áls er al winst is. Een bedrijf als Microsoft was het levende bewijs hoe hoog de bomen wel kunnen groeien: zijn beurswaarde was met twintigduizend vermenigvuldigd.

En inderdaad zal zulke buitengewone, vele jaren lang volgehouden winstgroei wel mogelijk zijn voor individuele bedrijven. Maar als men het macro-economisch bekijkt, staat men al snel weer met beide voeten op de grond. Zelfs als de ,,nieuwe economie'' met haar versnelde productiviteitsstijging het potentiële niet-inflatoire groeitempo van de economie opkrikt van bijvoorbeeld 2,5 procent tot 5 procent per jaar, kunnen de bedrijfswinsten niet onbeperkt tegen een veel hoger tempo toenemen zonder dat het hele nationale inkomen op een bepaald ogenblik uit winsten bestaat, wat uiteraard nonsens is.

De grote haussemarkt was al gestart begin 1982, toen de Dow Jones op 875 punten stond en de index van de jonge Nasdaq op 196 punten. De aanzwellende massa beleggingskapitaal veranderde voortdurend van richting, op zoek naar rendement. Na het uitbreken van de Aziatische crisis keerde de hoofdstroom terug naar Wall Street en in mindere mate naar de Europese beurzen. De fusieroes en de e-euforie verschaften nieuwe stimulansen, en de uitzonderlijke hoogconjunctuur van de Amerikaanse economie werkte als locomotief. Van begin 1995 tot eind 1999 groeide het Amerikaanse aandelenkapitaal met het fabuleuze bedrag van 10.000 miljard dollar, evenveel als het Amerikaanse bbp van 1999. Dit betekende een vermenigvuldiging van het beurskapitaal met 3,28 tegenover begin 1995. (Louis Baeck: Mondialisering, socioculturele assertiviteit en het web, april 2001).

In de laatste maanden voor de overgang naar het jaar 2000 begon het tot de grote massa van het beleggerspubliek door te dringen dat er grote koerswinsten te behalen waren met de aandelen van internet-, media- en telecommunicatiebedrijven. Tussen juli 1999 en midden maart 2000 steeg de indicator bij uitstek voor de ontwikkelingen in die sector, de index van de Nasdaq, met 80 procent.

Maar het beursverloop van de technologie-aandelen was zich al vanaf het midden van de jaren negentig gaan losmaken van dat in de traditionele sectoren. Het fenomeen was niet beperkt gebleven tot de VS en Europa, maar was ook opgetreden in de groeilanden. En het was gepaard gegaan met een groeiende correlatie tussen de IT-aandelenkoersen, maar ook met een grotere volatiliteit. (IMF, World Economic Outlook, september 2000).

Dat de spectaculaire opgang gevolgd werd door een even ophefmakende neergang, kan een bewijs te meer lijken van de domme beurswijsheid what goes up, must come down . Er waren ongetwijfeld overdrijvingen geweest, en een correctie kon niet uitblijven. Maar verscheidene elementen hielpen haar zo'n omvang geven.

In de lente van 2000 begon de markt correct te voorzien dat er een vertraging van de Amerikaanse economie zat aan te komen. Vanaf de zomer trad die inderdaad op, en in het laatste kwartaal was er nog nauwelijks expansie. Een recessie was het nog steeds niet, maar wel de verregaandste groeivertraging sinds vele jaren.

Er kwam een kentering in de verwachtingen, nu duidelijk werd dat veel te veel productiecapaciteit was opgebouwd. In de tweede helft van de jaren negentig waren de investeringen in de Amerikaanse IT-sector met 25 procent per jaar verhoogd. De investeringen in computer- en perifere apparatuur waren zelfs met 50 procent per jaar opgevoerd.

De bedrijven raakten ook moeilijker aan geld. In de voorgaande jaren was dat geen probleem geweest: de boom van het venture-kapitaal en de vele beursintroducties gevolgd door scherp stijgende aandelenkoersen hadden de financiering mogelijk gemaakt van startende bedrijven die nog geen winst maakten en waarvan de winstverwachtingen hoogst onzeker waren.

Zolang de beurs optimistisch bleef, konden ook bedrijven die nooit winst zouden behalen op goedkope financiering rekenen om hun verliezen te dekken. Nu werd het duidelijk dat zij uit de markt zouden moeten.

Nu de Amerikaanse ondernemingen inzagen dat ze hadden over-geïnvesteerd in technologie, werden de technologiebedrijven geconfronteerd met een zo bruuske terugval van de bestellingen dat in Silicon Valley over een ,,kopersstaking'' werd gesproken. Ze trachtten hun oplopende voorraden van snel verouderende hightech-producten te verminderen door hun prijzen te verlagen. Het onvermijdelijke gevolg was een reeks winstwaarschuwingen, die de beurskoersen nieuwe klappen bezorgden.

Neem het voorbeeld van Cisco, het boegbeeld van de ,,nieuwe economie'' dat naar beurskapitalisatie enige tijd de grootste onderneming ter wereld was. Doordat het steevast meer bestellingen had binnengekregen dan verwacht, moesten zijn klanten vijftien weken op sommige producten wachten. Om die trend om te keren, bestelde het grote hoeveelheden componenten, vooral degene waarvoor lange wachttijden golden, ook al waren er al tekenen van groeivertraging.

Toen de vraag midden december abrupt daalde, was Cisco dan ook bijzonder kwetsbaar. De telecom-bedrijven, die al enige tijd in moeilijkheden verkeerden, kochten in het eerste kwartaal van 2001 tot 40 procent minder uitrusting dan in dezelfde periode van vorig jaar. De talrijke internetbedrijven die over de kop gingen, deden hun nauwelijks gebruikte Cisco-uitrusting tegen sterk gereduceerde prijzen van de hand. Ook vele ondernemingen van de ,,oude economie'' zetten hun aankopen van netwerk-uitrusting stop. Cisco bleef daardoor met reusachtige voorraden zitten, waaronder veel op maat gemaakte onderdelen. Het gaat er nu het reusachtige bedrag van 2,5 miljard dollar op afschrijven en 8.500 man de laan uitsturen.

Europa was ondertussen op een telecom-ijsberg gebotst. Het had zich niet bezondigd aan over-investeringen in technologie, maar de telecombedrijven hadden 121 miljard euro betaald voor licenties voor de derde-generatiemobilofonie, en ze zullen nog ten minste hetzelfde bedrag moeten investeren in apparatuur en zendmasten. Nochtans valt tot dusver weinig zinnigs te zeggen over de toepassingen die van UMTS een succes zullen maken.

De schuldexplosie van de telecombedrijven heeft hun kredietwaardigheid aangetast. Ze krijgen het zelfs moeilijk om nog geld te lenen voor verdere investeringen ter uitbouw van het 3G-netwerk. De leveranciers beginnen daarom de rol van bankier over te nemen. Zo kende Nokia, om zijn producten te kunnen afzetten, voor 3 miljard euro leningen toe aan enkele operatoren. Het probleem breidt zich daardoor alleen maar uit naar andere sectoren. Het beurshuis Petercam vreest dat het telecom-fiasco Japanse afmetingen kan aannemen: overinvesteringen in lange-termijnactiva, gefinancierd door bankkredieten.

Wat de krach van oktober 1987 niet vermocht omdat hij al te snel weer werd goedgemaakt, zal die van de technologie-aandelen misschien bewerkstelligen: een deel van de beleggers zich weer voor een generatie van de beurs doen afwenden.

Zo was het ook na 1929. De collectieve herinnering aan de dramatische koersval en aan de depressie die erop volgde, weerhoudt er tot vandaag oudere, welgestelde mensen van in aandelen te beleggen. En nochtans betwisten onderzoekers dat er in de jaren twintig in Wall Street sprake was van een echte zeepbel. (B. Mark Smith: Toward Rational Exuberance - The Evolution of the Modern Stock Exchange).

Op het toppunt van de hausse bedroeg de koers/winstverhouding 16 -- nooit vertoond tot dan toe, maar hooguit een gemiddelde voor de afgelopen vijftig jaar en maar minnetjes in de ogen van de hedendaagse belegger. Als de Federal Reserve er beter had op gereageerd, was Zwarte Donderdag misschien maar een voetnota in de geschiedenis geworden.