BOEDAPEST -- Als over afzienbare tijd beslissingen moeten vallen over het tijdstip waarop de diverse kandidaat-lidstaten tot de Europese Unie kunnen toetreden, zal de verleiding groot zijn om Centraal-Europa en de Baltische staten als twee groepen binnen te laten. Het probleem is echter dat men de meest gevorderden moeilijk op de laatkomers kan laten wachten. Er zijn al bedekte manoeuvres bezig.

Het zou vanzelfsprekend zinvol zijn om landen die nauw bij elkaar aanleunen, ook samen te laten toetreden. Dit geldt eensdeels voor de vier zogenaamde Visegrad-landen Polen, Hongarije, de Tsjechische Republiek en Slovakije, en anderdeels voor de drie Baltische staten Estland, Letland en Litouwen. Binnen die regionale groepen bestaan allerlei banden en akkoorden.

Bovendien zou het alleen al om redenen van grensbeveiliging een groot voordeel zijn Slovakije, dat tussen Polen en Hongarije geprangd ligt, samen met zijn drie partners toe te laten. Maar aangezien het niet tot de eerste groep landen behoorde waarmee de Europese Unie onderhandelingen over toetreding wilde aanknopen en ook later klaar zal zijn dan de overige landen van Midden-Europa, zou dit een moeilijk te rechtvaardigen voorkeursbehandeling inhouden.

Op een conferentie van de Internationale Kamer van Koophandel in de Hongaarse hoofdstad waaraan de regeringsleiders van een aantal kandidaat-lidstaten deelnamen, kondigde Europees commissaris Günter Verheugen aan dat hij in september of oktober voorstellen zal doen voor de volgende strategische stap: het afkondigen van streefdata voor het beëindigen van de toetredingsonderhandelingen.

In een ideale wereld, zei hij, zou men de Visegrad-groep en de Baltische staten samenhouden. Je kunt echter een land dat klaar is niet laten wachten op degene die achterstand hebben. De Finse premier, Paavo Lipponen, die klaarblijkelijk buurland Estland in het achterhoofd had, herinnerde eraan dat aan de kandidaat-landen vorig jaar op de top van Helsinki een individuele behandeling is beloofd.

In welke waaiers de verruiming zal gebeuren, valt vooralsnog niet te voorspellen. De economische toestand van de individuele landen blijft overigens wisselvallig. Zo kreeg de Tsjechische Republiek vorig jaar nog een slecht ,,vooruitgangsrapport'' maar zit ze nu opnieuw op het goede spoor.

Duidelijk is alvast dat de twee extremen ondenkbaar zijn: enerzijds een gelijktijdige toetreding van de twaalf kandidaat-landen, anderzijds toetreding één na één. Daartussen liggen alle mogelijkheden open.

Polen, Hongarije, de Tsjechische Republiek en Slovenië maken zich sterk dat ze tegen 1 januari 2003 klaar zullen zijn voor toetreding, en Slovakije zegt een jaar later gereed te zullen zijn. De Hongaarse minister van Economische Zaken, Janos Martonyi, drong mede namens andere kandidaat-lidstaten aan op een tijdschema, dat volgens hem de verdere voorbereiding van de toetreding sterk in de hand zou werken, maar Lipponen toomde hem in.

De Franse eerste minister, Lionel Jospin, zei tijdens een ontmoeting in Boedapest met de premiers van de vier Visegrad-landen dat de Europese Unie tegen eind 2002 met haar interne hervormingen klaar zal zijn. Zoals beloofd op de top van Helsinki, zal ze dan nieuwe lidstaten kunnen opnemen. Een datum voor de uitbreiding werd evenwel niet genoemd.

Premier Lipponen bestempelde het proces dat naar toetreding van nieuwe lidstaten moet leiden, als onomkeerbaar. Ook commissielid Verheugen zei daarover ,,fundamenteel optimistisch'' te zijn, maar maakte al meteen ernstig voorbehoud: als de vijftien lidstaten er niet in slagen tegen het einde van dit jaar essentiële institutionele hervormingen goed te keuren, komt het hele proces in gevaar en kan het volledig mislukken. De Europese Unie zou dan na de uitbreiding immers niet meer kunnen functioneren.

De stemming bij gekwalificeerde meerderheid moet volgens hem worden uitgebreid. Tevens is er het probleem van het gewicht van de stemmen van grote en kleine landen in de Europese Raad. Een dubbele meerderheid -- van de lidstaten en van de bevolking van de Europese Unie -- zou verkieslijk zijn.

Verheugen toonde zich bezorgd over de zeer trage vooruitgang tot dusver, maar zei niet te kunnen geloven dat de lidstaten de uitbreiding in gevaar willen brengen.