BRUSSEL -- Het einde van een presidentschap in Mexico is in de afgelopen kwarteeuw telkens gepaard gegaan met hevig financieel en economisch tumult, dat in enkele gevallen wereldwijde uitlopers had. Regering, bedrijfsleiders en analisten geloven echter dat het land zich daar ditmaal terdege heeft tegen gewapend.

Het politieke leven in Mexico verloopt volgens de regelmaat van zesjarige presidentschappen of sexenios. Op 2 juli wordt een opvolger voor Ernesto Zedillo gekozen. Vooral de vijf maanden die daarna verstrijken eer het nieuwe staatshoofd wordt geïnstalleerd, zijn traditioneel een gevaarlijke periode. De vorige keer, in 1994, was er de moord op de kandidaat van de regeringspartij PRI voor het presidentschap, de opstand van de Zapatisten in Chiapas en de tequila-crisis. Ook nu houdt het sexenio-syndroom Mexico in de ban. Zedillo is in een strijd met de geschiedenis verwikkeld.

De vooruitzichten zien er vrij geruststellend uit. Zedillo en zijn team hebben een onberispelijk parcours afgelegd. Het Noord-Amerikaanse vrijhandelsakkoord Nafta zal in goed zes jaar voor een verdrievoudiging van de export naar de Verenigde Staten hebben gezorgd en maakte van Mexico de grootste exporteur van Latijns-Amerika. De economie is versterkt, de twee belangrijkste presidentskandidaten hebben zich verbonden tot een orthodox economisch beleid, en de PRI geeft blijk van verrassende eenheid.

De economische groei bedroeg in de afgelopen vier jaar gemiddeld 5 procent per jaar. Het aantal arbeidsplaatsen steeg in de eerste elf maanden van vorig jaar met 870.000. De open werkloosheid is op haar laagste peil sinds 1985 beland. De overheidsfinanciën zijn zo gezond dat het ratingbureau Moody's op 8 maart het land voor het eerst in zijn geschiedenis de begeerde ,,investment grade'' toekende. De rente daalde daarop tot haar laagste peil sinds december 1994. De aandelenkoersen stegen tot recordhoogten, en de peso apprecieerde tegenover de sterke dollar. De euforie was dusdanig dat Zedillo en centraal bankier Guillermo Ortiz voor overtrokken enthousiasme waarschuwden uit vrees dat opnieuw een ontwrichtende vloed buitenlands kapitaal naar de beurs en in overheidspapier zou stromen.

Mexico heeft er een handje van weg de wereld bij ogenschijnlijk staalblauwe hemel met een crisis te verrassen. De regering van president José Lopez Portillo had ondanks de binnenstromende olie-inkomsten zoveel buitenlandse schulden aangegaan dat ze in augustus 1982 moest bekennen dat ze aan haar verplichtingen niet kon voldoen, wat het begin betekende van de grote internationale schuldencrisis en van het ,,verloren decennium'' in Latijns-Amerika.

In 1994 werd de aftredende president Carlos Salinas getipt als voorzitter van de Wereldhandelsorganisatie WTO. In december bleek echter dat Mexico een onhoudbare importboom had gefinancierd met kortlopende buitenlandse schulden en dat de wisselreserves overschat waren. Zedillo was twintig dagen president toen hij de peso moest devalueren. De economie kromp in 1995 met 6,9 procent, werkloosheid en inflatie liepen op en nagenoeg elke grote bank ging over de kop, wat de belastingbetalers op een reddingsoperatie van 4.000 miljard frank kwam te staan. De banksector verkeert nog steeds in crisis, en pas nu kruipen de lonen opnieuw naar hun peil van 1994.

De internationaal gerespecteerde minister van Financiën José Angel Gurrio stipt echter een aantal fundamentele verschillen met de onstabiele situatie van zes jaar geleden aan.

  • Het tekort op de lopende rekening van de betalingsbalans is bescheiden (3 procent van het bruto binnenlands product tegen nagenoeg 7 procent in 1994) en wordt in grote mate gefinancierd door buitenlandse directe investeringen, die een stabiele vorm van kapitaalinvoer zijn.
  • De wisselreserves overtreffen 32 miljard dollar, wat een historisch record is. In 1994 bedroegen ze amper 6 miljard dollar.
  • Het binnenlandse sparen zal dit jaar naar verwachting 21,7 procent van het bbp bereiken, tegen 14,7 procent zes jaar geleden.
  • De buitenlandse netto-overheidsschuld vertegenwoordigt nog slechts 56 procent van de export, tegen 126 procent in 1994.
  • De peso is nu een vlottende munt, wat het risico op speculatieve aanvallen vermindert.
  • Bovendien werd vorig jaar het Financieel Versterkingsprogramma aangekondigd om een vlotte overgang naar het nieuwe presidentschap te verzekeren: het IMF, de Wereldbank, de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank, de Amerikaanse Import-Exportbank, de Federal Reserve en de Canadese centrale bank houden samen voor nagenoeg 100 miljard frank kredietlijnen beschikbaar.

    Normaal moet Francisco Labastida, de kandidaat van de Partido Revolucionario Institucional die al zeventig jaar de touwtjes in handen heeft, over drie maanden probleemloos tot president worden verkozen. Hij behaalde de nominatie van zijn partij in de eerste open voorverkiezingen die ze organiseerde. Een tijdlang zag het er voor de partij nochtans bedenkelijk uit. In tussentijdse verkiezingen in 1997 maakte de oppositie een grote sprong en verloor de PRI voor het eerst de controle over de kamer van volksvertegenwoordigers. De twee belangrijkste oppositiepartijen, de centrum-rechtse Partido Acción Nacional en de linkse Partido de la Revolución Democrática, gingen een verbond aan. Het huwelijk van de twee ideologisch al te verschillende partijen hield echter niet stand: ze konden geen overeenstemming bereiken over een gemeenschappelijke presidentskandidaat. Vicente Fox (PAN) en Cuauhtémoc Cardénas (PRD) zullen naar verwachting Labastida wel van de absolute meerderheid kunnen afhouden, maar hem niet kunnen bedreigen.