De Europese arbeidersbeweging zit in een diepe crisis. Zelfs binnen de vakbonden zelf heerst vertwijfeling, schrijft Robert Taylor .

Zijn de vakbonden in de Westerse geïndustrialiseerde wereld met uitsterven bedreigd? Dat is wel degelijk een pertinente vraag. Tijdens de industriële revolutie namen die vrijwilligersorganisaties het voortouw om de belangen van de arbeidersklasse te behartigen. Nu rijst stilaan de vraag of ze nog een bestaansreden hebben.

De vakbonden hebben redenen te over om zich ongerust te maken. Dat zijn niet de woorden van hun tegenstanders, maar van hun vrienden bij de Europese Confederatie van vakbewegingen en Brussel. Die organisatie vertegenwoordigt vakbonden in heel de Europese Unie. Onderzoekers van de confederatie hebben net een lijvige en interessante vergelijkende studie gepubliceerd. Daarin gaan ze na wat er aan de hand is in West-Europa, de bakermat van de arbeidersbewegingen. Hun bevindingen schetsen een bijzonder pessimistisch beeld van die bewegingen. Ze hebben het duidelijk moeilijk in deze tijden waarin alles in sneltempo verandert.

De studie bevat maar liefst 713 pagina's informatie en commentaar. De weinig opbeurende eindconclusie is dat vakbonden in de meeste Westerse landen er niet in slagen zich aan te passen aan de nieuwe werkelijkheid. De internationale concurrentie wordt heviger, de technologische veranderingen zijn nauwelijks bij te houden, flexibele arbeid wordt belangrijker en de private dienstensector neemt voortdurend uitbreiding.

Het beste bewijs dat de vakbonden erop achteruitgaan is hun afnemende aanwezigheid op de werkvloer. Ze krijgen nauwelijks nog voet aan de grond in kleine bedrijven en in de private dienstensector. Zweden is het enige West-Europese land waar meer dan de helft van de bedrijven een vakbondsafgevaardigde heeft. In Duitsland is dat maar 6 procent. ,,De afwezigheid van vakbondsafgevaardigden valt het meest op net daar waar er het meest werk aan de winkel is om het ledenbestand weer op te krikken. Dat ledenbestand daalt al sinds het midden van de jaren '70.'' Dat schrijven de twee redactieleden van de studie, Jeremy Waddington van de Manchester School of Management en Reiner Hoffman, directeur van het Europese Vakbondsinstituut.

De Europese arbeidersbeweging heeft het dus niet onder de markt. In Frankrijk maken de vakbonden volgens de studie ,,de diepste crisis uit hun bestaan door''. Het is bovendien een ,,morele'' crisis die ,,de fundamenten van hun legitimiteit aantast''. Voor Spanje verwacht men dat de vakbonden ,,opgaan in de burgermaatschappij, samen met ecologisten, feministen, pacifisten en anti-fascisten''. In Duitsland krijgen de vakbonden ,,nauwelijks voet aan de grond in de nieuwe, arbeidsintensieve groeisectoren, de technologiebedrijven, de kmo's van de dienstensector en allerhande andere nieuwe beroepen''.

In Nederland gaat het er al niet veel beter aan toe. ,,De geloofwaardigheid van de vakbonden daalt zienderogen'', staat in de studie te lezen. ,,De vakbonden vertegenwoordigen er alsmaar minder werknemers en slagen er niet in de belangen van deeltijds werkenden te behartigen. Die maken in Nederland nochtans een derde van de werkende bevolking uit.

Alleen in België en in de Scandinavische landen is de situatie minder wanhopig. De meeste werknemers zijn er lid van een vakbond en de vakbonden zijn er actief betrokken bij het sociale beleid. Maar zelfs in Zweden lijken jonge werknemers niet meer zo happig om zich lid te maken. In Noorwegen wordt solidariteit onder werknemers stilaan een loos begrip en in Denemarken zijn maar weinig leden actief bij de vakbond betrokken.

De auteurs steken hun ongerustheid niet onder stoelen of banken. Te veel vakbonden blijven steken in de mannenwereld van de verwerkende nijverheid, de alsmaar kleiner wordende wereld van de openbare diensten en de groep van voltijds werkenden. Ze slaan niet aan bij vrouwelijke werknemers, jongeren en migranten, drie groepen die op de Europese arbeidsmarkt alsmaar belangrijker worden.

Nog teveel vakbonden worden geleid door mannen die er in de jaren na de tweede wereldoorlog in dienst kwamen. Ze zijn opgegroeid in het tijdperk van massaproductie, gecentraliseerde onderhandelingsstrategieën en collectivistische waarden, allemaal zaken die aan belang hebben ingeboet. In onder meer Duitsland en Groot-Brittannië proberen de vakbonden het tij te doen keren door te fusioneren. In de private dienstensector beschouwt men die strategie niet als een dynamische manier om nieuwe leden te werven, maar als een wanhoopsdaad.

Volgens de auteurs zullen de huidige maatschappelijke evoluties de vakbonden nog verder in het nauw drijven. Ze denken daarbij in de eerste plaats aan de decentralisatie van de loononderhandelingen en de opkomst van geïndividualiseerde arbeidscontracten. Het grote probleem voor de vakbonden is dat ze de belangen moeten behartigen van werknemers die met de dag individualistischer worden en zich nergens meer voor engageren.

In veel landen zijn er te weinig militanten om nog bijkomende leden te werven. Net daar nijpt volgens Waddington en Hoffman het schoentje. De vakbonden moeten absoluut weer de werkvloer op om aan geloofwaardigheid te winnen, anders kunnen ze het wellicht schudden.

Dat klinkt misschien allemaal wat overtrokken. Alle Europese regeringen, behalve de Britse, beschouwen de vakbonden immers nog altijd als legitieme partners. Idem dito voor de werkgeversorganisaties. In de jaren '90 waren ze actief betrokken bij de onderhandelingen rond loonmatiging en tewerkstelling.

Op beleidsniveau hebben de vakbonden dus nog altijd een vinger in de pap. Maar de auteurs vrezen dat de politiek-economische rol van de werknemersorganisaties binnenkort is uitgespeeld als de mensen die ze willen vertegenwoordigen niet langer in hen geloven. Dan blijft er alleen nog façade over, zonder enige inhoud.

De conclusie van de studie is dat de vakbonden in Europa het meest kans maken om te overleven als ze de verantwoordelijkheid krijgen toegeschoven om de werkloosheidsuitkeringen van de staat toe te kennen. In België, Zweden en Denemarken is dat al zo. Maar daar komt misschien verandering in als de regeringen gaan twijfelen of de vakbonden wel degelijk de belangen van de werknemers behartigen.

De auteurs houden zich meer bezig met diagnoses dan met remedies. Maar hun argumenten zullen de meeste vakbonden in ieder geval op stang jagen. Ze zijn immers zo zelfvoldaan dat ze zich absoluut geen zorgen maken over de toekomst.

En zelfs de vakbonden die wel inzien dat er iets aan de hand is, weten vaak niet hoe te reageren. Ze hebben ook niet altijd de middelen om zich aan te passen aan de complexe nieuwe arbeidsmarkt. Vroeger waren de vakbonden in de eerste plaats collectieve onderhandelaars, en geen organisaties voor persoonlijke dienstverlening.

Dat is volgens Waddington de hamvraag: hoe kunnen de vakbonden een rol van betekenis blijven spelen op de gediversifieerde en gesegmenteerde arbeidsmarkt van de eenentwintigste eeuw? Hij en zijn collega's geven er in de studie niet echt een antwoord op, maar ze hebben het ziektebeeld wel erg gedetailleerd in kaart gebracht. Het zou jammer zijn mochten hun vrienden in de Europese vakbonden de studie straal negeren.