Elk jaar gaan in Vlaanderen vele tientallen miljarden frank naar onderwijs. En nog een beetje miljarden naar beroepsopleiding en herscholing. Samen goed voor meer dan de helft van het Vlaamse overheidsbudget. Terecht. Onderwijs voor iedereen is de basis van elke moderne, democratische samenleving.

Maar wat levert die reusachtige inspanning op voor de jongeren die zich klaar maken voor de arbeidsmarkt, voor hun zoektocht naar een baan en het bijbehorende inkomen? En -- daarbij aansluitend -- wat is het resultaat voor de bedrijfswereld, voortdurend op zoek naar nieuwe, geschikte arbeidskrachten?

Niet altijd erg veel, blijkt -- helaas -- uit de (jaarlijkse) analyse van de VDAB naar de situatie van de schoolverlaters, één jaar na hun afstuderen.

Jaar na jaar stelt de VDAB lange tabellen op waarin wordt aangetoond welke studierichtingen en -niveaus de jongeren veel kans op slagen geven in hun beroepsleven, en welke niet. Verplichte lectuur voor elke onderwijsadviseur.

Maar veel frappanter is de statistiek waarin de VDAB het aantal afgestudeerde jongeren dat zich bij de overheidsdienst komt inschrijven als werkzoekend, indeelt volgens behaald diploma.

Diploma? Dat is een onbekend woord voor maar liefst 2.650 jongeren die in 1999 de Vlaamse schoolbanken verlieten. 2.650 jongens en meisjes die zonder enige vorm van diploma op hun achttiende de arbeidsmarkt tegemoet treden, zonder kans op een volwaardige baan. Vier op de tien van deze jongeren vinden in hun eerste jaar na de school geen job. En zonder hulp verzeilen ze in een leven van uitzichtloze, langdurige werkloosheid. Een leven als paria.

De 3.677 jongeren die alleen met een diploma lager technisch of lager beroeps kunnen zwaaien, zijn er al niet veel beter aan toe. Een op de vier van hen blijft ook al werkloos.

Fraaie cijfers zijn dat niet voor een regio die zich graag tot één van de welvarendste van de wereld rekent. De grote vraag is: ligt er iemand wakker van?