BRUSSEL -- De Commissie voor het Bank- en Financiewezen (CBF) heeft een consultatiedocument klaargestoomd over een nieuwe reglementering rond beleggingsfondsen en hun beheersvennootschappen. De voorstellen -- die de Belgische ,,vertaling'' vormen van een Europese richtlijn -- moeten het onder meer gemakkelijker maken om dakfondsen en fondsen met kapitaalgarantie in heel Europa aan de man te brengen.

De omzetting van de Europese richtlijn over collectieve beleggingen (UCITS III in het jargon) komt met deze voorstellen in de laatste fase. De beroepsvereniging BVICB (Belgische Vereniging van de Instellingen voor Collectieve Belegging) heeft nog tot eind augustus om antwoorden en bedenkingen te formuleren bij het document. Tegen oktober moeten de uiteindelijke teksten bij het ministerie van Financiën liggen, om op 13 februari volgend jaar van kracht te worden.

De CBF stelt de invoering voor van een ,,eenheidsstatuut'' voor de beheersvennootschappen van beleggingsfondsen. Dat zijn de firma's die gespecialiseerd zijn in het beheer (zowel inhoudelijk als administratief) van collectieve portefeuilles. Totnogtoe hanteerde elk land daar aparte regels voor. Het nieuwe statuut zou lijken op het al bestaande statuut van de beleggingsondernemingen. In het CBF-document is onder meer sprake van een minimumkapitalisatie voor beheersvennootschappen van 125.000 euro (en meer voor vennootschappen die minstens 250 miljoen euro beheren).

Een beheersvennootschap zal bepaalde taken ook mogen uitbesteden aan andere bedrijven die hiervoor een vergunning hebben. Een beleggingsfonds naar Belgisch recht (bevek) zal zijn administratieve taken evenwel alleen mogen uitbesteden aan een instelling die in ons land actief is.

De huidige beheersvennootschappen krijgen ruimschoots de tijd -- tot 13 februari 2007 -- om in orde te zijn met de nieuwe verplichtingen. Zolang ze dat niet doen, kunnen ze evenwel geen ,,Europees paspoort'' (de vergunning om een fonds in andere EU-lidstaten te verkopen) krijgen.

De Europese richtlijn breidt de lijst van ,,toegelaten beleggingen'' gevoelig uit. Zo worden beleggingen in beursindices, niet-beursgenoteerde afgeleide producten en andere fondsen toegelaten. Die maatregel moet de pan-Europese verkoop van indexfondsen, dakfondsen en gestructureerde fondsen eenvoudiger maken.

Tegenover die grotere beleggingsvrijheid staat wel een uitbreiding van de regels voor risicospreiding. Zo zal bijvoorbeeld maximaal 20 procent van het vermogen in een ander fonds belegd mogen worden. Ook de informatievereisten worden verstrengd. Het prospectus dient ook te vermelden of en waarom een fonds in afgeleide producten mag beleggen.

De Europese spreidingsregels blijven voorlopig wel onverenigbaar met de zogenaamde kapitaalgarantiefondsen, die doorgaans contracten afsluiten met een beperkt aantal tegenpartijen. Daardoor blijft het haast onmogelijk om voor dergelijke fondsen een vergunning te krijgen in andere landen. Dat is een sterk concurrentienadeel voor de Belgische fondsensector, die een pionier is in dit type fondsen. ,,De richtlijn is gebaseerd op de technologie die in de jaren vijftig werd gehanteerd inzake risicospreiding'', klaagt de BVICB-voorzitter Stefan Duchateau. ,,Nochtans kan het grote tegenpartijrisico bij kapitaalgarantiefondsen worden opgelost met het verstrekken van collateral . Het is duidelijk dat we hier nog tegen windmolens moeten vechten'', aldus Duchateau.

UCITS III neemt overigens de mogelijkheid niet weg dat sommige EU-lidstaten via een strikte interpretatie of bureaucratische toepassing van de richtlijn hun eigen fondsensector bevoordelen. De CBF-voorzitter Eddy Wymeersch geeft toe dat dergelijke vormen van ,,protectionisme'' bestaan, maar denkt dat er veel opgelost kan worden via een peer review, een soort arbitrageprocedure, tussen de nationale toezichthouders.