© mc
De herbronning van de Vlaamse drinkwaterbedrijven is bezig. Ze willen drinkwater blijven maken, maar daarnaast zien ze voor zichzelf een belangrijke rol weggelegd bij het beheer van gemeentelijke rioleringsnetten en het aanbieden van andere soorten water dan drinkwater. De publieke drinkwatermaatschappijen moeten wel uit andere vaatjes tappen om de komende jaren financieel niet in de problemen te komen.

De tijd dat drinkwatermaatschappijen in een ivoren toren zaten, is voorbij, stelt Daniel Termont. En: ,,Het moeten goed gerunde en gezonde bedrijven zijn'', vindt Christian Leysen. Termont en Leysen zijn beiden voorzitter van een grote Vlaamse watermaatschappij. Hun uitspraken symboliseren de grote veranderingen bij de waterbedrijven na 2000.

Alhoewel drinkwatervoorziening en volksgezondheid onlosmakelijk met elkaar verbonden blijven en er grote eensgezindheid over bestaat dat drinkwater maken uitsluitend een taak van de overheid moet blijven, beklemtonen de bestuurders dat waterbedrijven efficiënter zullen moeten opereren. Dat leidt onvermijdelijk naar schaalvergroting en een diversifiëring van hun activiteiten. Drinkwaterbedrijven moeten geïntegreerde watermaatschappijen worden, heet het officieel.

In de praktijk betekent dit dat andere soorten water aan de industrie geleverd worden, dat rioleringsnetten in de gemeenten worden uitgebaat en allerlei diensten die te maken hebben met de beveiliging van de waterkwaliteit, zoals legionellapreventie, worden aangeboden.

De voorbije vijf jaar begonnen de knipperlichten te branden bij steeds meer watermaatschappijen. Vanaf 1998 viel bij verscheidene drinkwatermakers het totale jaarverbruik van hun klanten voor het eerst terug. De daling verschilde wel naargelang de drinkwatermaatschappij. De Tussengemeentelijke Maatschappij der Vlaanderen voor Watervoorziening (TMVW) zag het jaarverbruik in 1998 en 1999 respectievelijk met vijf en twee procent terugvallen. Bij de Antwerpse Waterwerken (AWW) viel het waterverbruik in 2000 en 2001 met 1,1 en 2,3 procent terug. In 2001 was de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening aan de beurt met twee procent minder. Maar het gemiddelde jaarverbruik per individuele aansluiting was bij de VMW-klanten al vanaf 1997 aan het dalen.

Deze terugval van het verbruik kwam totaal onverwacht voor de drinkwatermakers. Bij de meeste zaten belangrijke investeringen in de pijplijn om hun drinkwaterreserves gevoelig te vergroten. Investeringen die ingegeven waren door de regelmatige stijging van het drinkwaterverbruik in de jaren negentig.

Er begonnen scenario's over stagnerend en zelfs dalend waterverbruik in de toekomst te circuleren. Eind 2000 werden de maatschappijen bovendien geconfronteerd met de Europese kaderrichtlijn ,,Water'', die strenge eisen oplegt om binnen de Europese Unie de watervoorraden, de waterbeheersing en de kwaliteit van de leefomgeving tegen 2015 veilig te stellen. De naleving van deze Europese afspraken staat gelijk aan een sterke stijging van de productiekosten voor drinkwater.

De besluiten kwamen snel. De waterbedrijven stevenen regelrecht af op rode cijfers als ze alleen maar drinkwater blijven maken en verkopen. Sommige, zoals de AWW, kampten bovendien al met financiële moeilijkheden door een boel nog niet ingeschreven pensioenlasten.

Alles op zijn beloop laten, betekende dat er vroeg of laat drastische en onprettige maatregelen genomen moesten worden. Voor de politiek samengestelde bestuursraden van de intergemeentelijke drinkwatermakers was en is het geen aangenaam vooruitzicht om aan te dringen op een verhoging van de drinkwaterprijzen. Ook al is het jaren geleden dat er nog een serieuze aanpassing van de al jaren vastliggende en niet geïndexeerde watertarieven werd doorgevoerd.

Een tweede doembeeld dook op: personeelsinkrimpingen in de drinkwatermaatschappijen. En ten slotte waren de drinkwaterintercommunales ook stabiele dividendenleveranciers voor de gemeenten. Schrapping van die dividendenstroom, is evenmin een leuke boodschap.

Een afdoende verklaring voor de verbruiksdaling is nooit gevonden. Het gaat van de eerste effecten van de overheidscampagnes om spaarzamer om te gaan met drinkwater, tot het vermoeden dat de almaar grotere verbreiding van huishoudtoestellen met spaarknoppen en -programma's -- onder meer vaatwassers en wasmachines -- het waterverbruik doet terugvallen.

Toch gaan de drinkwaterbedrijven er nu vanuit dat het waterverbruik amper of helemaal niet meer zal groeien. Meteen zitten verschillende watermakers opgezadeld met een dreigende overcapaciteit door hun recente investeringen in capaciteitsuitbreidingen. En dat kan hun inkomsten nog meer onder druk zetten.

Ten tweede moeten producenten en leveranciers hun stijgende productiekosten voor drinkwater verdelen over een kleiner verkoopvolume. De producenten probeerden de voorbije jaren om deze terugval te compenseren door hun verkoopprijzen stelselmatig te verhogen. Maar de drinkwatermaatschappijen met een beperkte productie worden geconfronteerd met een systematische daling van de rendabiliteit. ,,We zijn onze reserves aan het opeten'', wordt erkend bij een van de grote Vlaamse drinkwatermaatschappijen.

Verschillende kleine drinkwaterleveranciers hebben al hun besluiten getrokken. Omdat ze niet langer financieel opgewassen zijn tegen hogere productiekosten en een dalend verbruik, sluiten ze aan bij een van de grote Vlaamse watermaatschappijen.

De voorbije twee jaar heeft dat in Vlaanderen al geleid tot de opslorping van een rist kleinere intercommunales en gemeentelijke waterdiensten door de grote vier. Vooral de TMVW was heel actief met zes overnames (onder meer Blankenberge, Zelzate, Oostende, Aalst en Gent zelf) in twee jaar.

Toch is de Vlaamse drinkwatervoorziening nog altijd erg versplinterd. Naast de grote vier -- de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening (het grootste Vlaamse drinkwaterbedrijf), de TMVW, de AWW en de Provinciale en Intercommunale Drinkwatermaatschappij van Antwerpen (Pidpa) -- produceren en verkopen nog zestien Vlaamse gemeentelijke of intergemeentelijke bedrijven drinkwater.

Die schaalvergrotingsrace kreeg eind vorig jaar een heel andere dimensie door een beslissing van de Antwerpse Waterwerken. De intercommunale, die voor negentig procent in handen is van de Stad Antwerpen, stuurt aan op een grote fusieoperatie. In het voorjaar vroeg ze dat fusiekandidaten zich zouden melden. Zowel de Pidpa als de TMVW bleek geïnteresseerd. De raad van bestuur van de AWW rondde onlangs het onderzoek af en adviseert zijn grote aandeelhouder nu een snelle fusie met de Pidpa.

De top van de AWW gelooft dat een fusie de nodige synergieën biedt en middelen vrijmaakt voor een geïntegreerd Antwerps waterbedrijf.

Hetzelfde verhaal bij de Pidpa en de TMVW. De TMVW ziet de schaalvergroting trouwens nog een maatje groter. TMVW-voorzitter Daniel Termont is een groot voorstander van de creatie van één groot Vlaams waterbedrijf. In het businessplan heet dat het Vlaams Integraal WaterBedrijf of VIWB. De TMVW schrikt niet terug voor een fusie met drie, waarbij de AWW, de Pidpa en de TMVW versmelten.

,,Het is economisch totaal onverantwoord dat alle maatschappijen zwaar investeren in bijvoorbeeld laboratoria en dienstwagenvloten. Ecologisch is het beter om de zoektocht naar bevoorradingsbronnen efficiënter te organiseren. Vandaag leggen de maatschappijen bovendien kriskras leidingen aan om het eigen gebied te kunnen bevoorraden. We moeten hoe dan ook naar grotere gehelen, maar die bedrijven moeten wel in publieke handen blijven'', stelt Daniel Termont van de TMVW.

Termont weet waar de gevoeligheden liggen als de TMVW ter sprake komt. De drinkwatermaatschappij heeft sedert 1990 een langetermijnovereenkomst met Electrabel, waarin het elektriciteitsbedrijf de klantenrelaties twintig jaar voor zijn rekening neemt. Bij de andere maatschappijen is dat niet het geval. ,,De contacten met de klanten uitbesteden is geen goede bedrijfsstrategie'', luidt het oordeel van AWW-voorzitter Christian Leysen.

Christian Leysen is het wel eens met de vereenvoudiging van het landschap, maar is gekant tegen de creatie van een Vlaamse watermonopolist. Volgens de voorzitter van de Pidpa, Eddy Huyghe, vinden de aandeelhouders en de bestuurders van zijn intercommunale een fusie met drie te hoog gegrepen.

Op langere termijn lijken de drie veroordeeld tot nauwe samenwerking. De AWW is, wat aantal klanten betreft, de kleinste van de drie, maar door een belangrijke groep industriële klanten in de Antwerpse haven is de AWW qua verkoopvolume een van de grootste leveranciers. Met een waterproductie van 142 miljoen kubieke meter is de maatschappij bovendien de grootste watermaker van Vlaanderen. De Antwerpse kanalen zijn de grote bronnen voor de AWW.

De TMVW is de grote Vlaamse waterleverancier die grote hoeveelheden water moet inkopen bij watermakers zoals de AWW en in Brussel, omdat de eigen productie niet volstaat.

De Pidpa staat dan weer voor een grote uitdaging omdat het vooral put uit grondwaterlagen. De voorzitter, Eddy Huyghe, beklemtoont dat de onheilspellende geluiden over de daling van het grondwaterniveau niet van toepassing zijn op de Pidpa. Een van de grote argumenten voor de toenadering tot de AWW is niettemin de diversifiëring van de bevoorradingsbronnen.

De TMVW sloot al een samenwerkingsakkoord voor waterproductie met de AWW -- Aqualink -- om onder meer minder afhankelijk te worden van wateraankopen van de Brusselse waterintercommunale. Dankzij Aqualink hoopt de TMVW haar eigen waterproductie gevoelig op te drijven. De twee investeerden in twee nieuwe waterwinningsgebieden langs het Albertkanaal. Het project loopt niet van een leien dakje. De aanleg van een grote aanvoerleiding naar het leveringsgebied van de TMVW zit in een sukkelstraatje omdat de watermaatschappij voor sommige gedeelten van het traject van de pijpleiding geen bouwvergunningen krijgt.

De jongste maanden is er nog een uitdaging bijgekomen. De drinkwatermaatschappijen voelen de vrijmaking van de Vlaamse elektriciteitsmarkt. Alhoewel de liberalisering van de watermarkt in Europa niet in de pijplijn zit, verhogen de grote industriële verbruikers de druk op de drinkwaterleveranciers. Nu de vrijmaking van de stroommarkt hun duidelijk maakt dat ze niet langer overgeleverd zijn aan een monopolist, worden ze ook mondiger wat de waterleveringen betreft.

Vandaag nemen bedrijven drinkwater af. Maar het proceswater dat ze nodig hebben in hun fabrieken, hoeft niet noodzakelijk van drinkwaterkwaliteit te zijn. Of bedrijven hebben nood aan watersoorten met een bijzondere samenstelling om specifieke producten te kunnen maken.

De verwachting is dat grote industriële verbruikers meer en meer de levering door de drinkwatermaatschappij zullen afwegen tegen een investering in een eigen waterfabriek. Zeker omdat de bedrijven ook geconfronteerd worden met de almaar strengere Europese en Vlaamse eisen. Die zullen de kosten voor de afvoer en verwerking van afvalwater gevoelig opdrijven. In de drinkwatersector heeft men het over de verwachte opgang van ontkoppeling.

Ontkoppelingen waarbij grote verbruikers zelf instaan voor hun waterproductie, kunnen de rendabiliteit van watermaatschappijen op korte tijd zwaar ondergraven. De VMW heeft in Limburg al een eerste waterproductie voor laagwaardige toepassingen. Bij de andere grote waterbedrijven staan dergelijke projecten in de steigers.