LEUVEN (belga) -- De sociale verkiezingen verliepen in 2000 in slechts een op de drie bedrijven in optimale omstandigheden: er waren voldoende kandidaten voor alle zetels, alle werknemers konden hun stem uitbrengen, er was competitie tussen minstens twee vakbonden en een stemopkomst van minstens 85 procent. Dat blijkt uit een studie (*) door Guy Van Gyes van het Hoger Instituut voor de Arbeid (Hiva), aan de KU Leuven.

Volgens Van Gyes leert een vergelijking met de voorgaande sociale verkiezingen, in 1995, dat er toen in 35,5 procent van de bedrijven sprake was van ,,optimale verkiezingen''. In 2000 was dat gedaald tot 33,8 procent.

Daartegenover staat 18,1 procent van de bedrijven (20,3 procent in 1995) waar de verkiezingen niet konden doorgaan omdat er ofwel geen kandidaten opdaagden, ofwel minder dan het te begeven aantal mandaten (zodat die automatisch werden toegekend).

,,Sterke'' sociale verkiezingen vinden we volgens Van Gyes eerder terug in grote bedrijven, alhoewel die af en toe geconfronteerd worden met een lage opkomst van de stemgerechtigde werknemers. Bedrijven waar arbeiders de dienst uitmaken scoren beter; hetzelfde geldt verhoudingsgewijze voor Waalse en industriële bedrijven. Verkiezingen die niet doorgaan, zijn typisch voor kleinere bedrijven. Eveneens zwak scoren de verkiezingen in de sectoren bedrijfsdiensten en non-profit (dit laatste wegens gebrek aan keuze tussen lijsten).

De kleine helft van alle werknemers kan deelnemen aan de sociale verkiezingen. Vier op de vijf van die stemgerechtigden brengen effectief hun stem uit. Zo'n 15 tot 20 procent van de voorziene zetels in de ondernemingsraad of het preventiecomité geraakt niet opgevuld; in meer dan 40 procent van de bedrijven blijft minstens een zetel openstaan.

  • (*) Over-Werk, Tijdschrift Steunpunt WAV (016-32.32.39).