De Europese politici worden aan de kant geschoven in een wereld waarin de economie de toekomstige integratie bepaalt, schrijft Philip Stevens .

Nieuwjaar is gelukkig voorbij. We hebben meer dan ons deel gehad van millenniumretrospectieven. Nu kunnen we ook de hoogdravende beschouwingen over de toekomst opzij schuiven. We zijn terug in het heden.

Voor de Europese leiders is dat een vervelende plaats. Door de toenemende welvaart hangt er natuurlijk optimisme in de lucht. Maar de Europese Unie nadert een moment van waarheid. Dit is het jaar waarin de regeringen worden geconfronteerd met de grote ironie van wat de Fransen graag de constructie van Europa noemen. Totnogtoe waren het de politici die de toekomst van het vasteland vorm gaven. Elke bundeling van nationale bevoegdheden ontstond uit een politieke wil. Nu is dat veranderd. De macht verschuift van het politieke establishment naar de markten. De economie bepaalt nu de snelheid van integratie.

Goed nieuws is er genoeg. Na verschillende donkere jaren stappen de Europese economieën in een zonnige periode van snellere groei. De nationale inkomens zouden dit jaar en de volgende jaren met drie procent moeten stijgen in de Europese Unie. Dat is naar Amerikaanse normen een bescheiden groei, maar hij is wel groot genoeg om het verschil te maken in een regio die gewend was geraakt aan sombere vooruitzichten. De werkloosheid zou dalen. Misschien stijgt de euro. Nationale begrotingen zullen gezonder lijken, net als de electorale vooruitzichten van de partijen van centrum-links die nu aan de macht zijn.

Dit is ook het jaar waarin de invloed van het Internet voelbaar zal zijn in heel de Europese economie. De Verenigde Staten hebben misschien enkele jaren voorsprong, maar dat is niets in vergelijking met de snelheid waarmee de elektronische economie verandering belooft. De beste Europese bedrijven passen nu al hun activiteiten aan aan het Internet. De zwakkere zullen een gemakkelijke prooi vormen in een volgende golf van fusies en overnames.

Dat alles wijst op een versnelling van de economische integratie. De grote bedrijfsovereenkomsten van het afgelopen jaar, die weliswaar aangewakkerd waren door de invoering van een eenheidsmunt, vonden meestal plaats binnen nationale grenzen. Daar komt snel een einde aan. De logica van de wereldwijde markt wijst op een verschuiving van nationale naar Europese en transatlantische koplopers. Het vijandig bod van 85 miljard pond van Vodafone AirTouch op Mannesmann is nog maar het begin.

Nationale politici zullen in dat proces toeschouwers zijn. De regering in Parijs heeft al geleerd dat ze haar wil niet meer kan opleggen aan de grote Franse banken. Het Italiaanse Olivetti versloeg Deutsche Telekom in de strijd voor Telecom Italia, maar ontdekte dat het zich niet meer kon gedragen als een Italiaans bedrijf. De Duitse kanselier Schröder kan zijn ongenoegen uiten over het bod van Vodafone, maar dat is alles. Mannesmann is Duits, alleen door zijn management en zijn fysieke locatie. In feite is het grotendeels eigendom van buitenlandse beleggers. Als Vodafone de strijd verliest, zal hij die verliezen op de markt en niet in de Berlijnse kanselarij.

Hier komen we bij die grote ironie. De politici zijn de auteurs van hun eigen onmacht. Wat nu gebeurt is een natuurlijk gevolg van beslissingen die de regeringen namen. Europese leiders streefden gedurende meer dan een decennium naar een eengemaakte Europese markt. De euro moest ervoor zorgen dat die markt een onomkeerbare realiteit werd. Daarvoor droegen de elf stichtende leden van de economische en monetaire unie bereidwillig hun nationale soevereiniteit met betrekking tot het monetair beleid over aan de Europese Centrale Bank. Het discretionair begrotingsbeleid werd op dezelfde manier afhankelijk gemaakt van de regels van het stabiliteitspact.

Waar de architecten van het verdrag van Maastricht -- Jacques Delors, François Mitterrand en Helmut Kohl -- blijkbaar nooit aan dachten was dat de Emu een vitaal rad zou worden in de sneldraaiende machine van de mondialisering. Voor hen zou de eengemaakte markt een omgeving creëren waarin Duitse, Franse en Italiaanse bedrijven zouden bloeien. Er zouden strategische allianties volgen, maar de nationale overheden zouden hun belangrijkste bedrijven verdedigen en promoten.

De integratie gaat nu een stap verder dan die visie. Een derde, ongewenste transfer van bevoegdheden als gevolg van Maastricht is er een van de regeringen naar de internationale kapitaalmarkten. Die transfer zal de gekoesterde nationale kampioenen vervangen door stateloze Europese ondernemingen.

Cynici zeggen dat de volgelingen van het Europese ideaal in Berlijn, Parijs of Brussel wel in feeststemming zullen zijn. Het moet inderdaad hard zijn voor de socialist Jacques Delors om zichzelf te zien als de architect van dit nieuw Europees kapitalisme. Maar de markten werken alleen af waar hij en andere politici mee begonnen in de jaren tachtig. De politici schreven zichzelf uit het script. Is er een beter symbool van een verenigd Europa dan een bedrijfssector die geen hinder ondervindt van de enge belangen en voordelen van nationale regeringen?

Maar de integratie in niet in evenwicht. Wat ontbreekt is de politieke dimensie. De Emu creëerde een systeem van economisch beheer met een beperkte aansprakelijkheid tegenover de Europese kiezers. Op dezelfde manier dreigt de integratie van de Europese bedrijven voorbij te gaan aan de verkozen regeringen terwijl die wel met de gevolgen opgescheept zitten. Aandeelhouders kunnen beslissen of gevestigde ondernemingen verloren gaan door fusies of overnames, maar nationale politici zullen niet ontkomen aan de sociale, economische en electorale impact van deze nieuwe fase van integratie. En we zullen allemaal snel genoeg ontdekken dat de nieuwe religie van aandeelhouderschap verre van onfeilbaar is.

Een onafwendbaar gevolg is dat de structurele veranderingen in de Europese economie versneld moeten worden. Niets verplicht continentaal Europa om volledig het Anglo-Amerikaans kapitalistisch model over te nemen. Het is te vroeg voor Tony Blair om zich te verkneukelen. Bij concurrentiekracht gaat het om meer dan alleen een kleiner beslissingsorgaan. Zij die iets anders beweren, moeten bijvoorbeeld maar eens het succes uitleggen van de Europese industrie voor mobiele telefonie.

Waar Tony Blair het wel bij het rechte eind over iets anders: de huidige druk voor een grotere flexibiliteit in de arbeidsmarkten, voor lossere regels en voor meer concurrentiële consumentenmarkten zal toenemen. De druk zal ook toenemen om de systemen van belastingen en uitkeringen te hervormen en om maatregelen te nemen om de pensioenlast van vergrijzende bevolkingen te verminderen. De moeilijkheid zal zijn om het beste te behouden van de Europese sociale systemen en tegelijkertijd toch de markten te volgen.

Dat zal een nieuwe aanpak vergen, zowel van de regeringen als van de Europese instellingen. Er zijn drie reacties mogelijk op de uitdagingen waar ze nu voor staan. De eerste is zich verzetten. De tweede is zich terugtrekken en gewoon aanvaarden wat de markten bieden. Een derde reactie is het zoeken naar een manier om het proces vorm te geven, om de economische voordelen vast te grijpen en toch de sociale samenhang te bewaren. De eerste benadering is tot mislukken gedoemd. De tweede zou de politici nog meer irrelevant maken dan ze nu al lijken voor hun kiezers. De laatste benadering zouden we een derde weg kunnen noemen.

© The Financial Times

U wil onze betalende artikels lezen maar nog geen abonnement nemen? Meld u aan en proef gratis van  plus-artikels.

Lees gratis ›

Geen betaalgegevens nodig