Nu de nieuwjaarsbrieven zijn voorgelezen en de omslagen-met-inhoud zijn uitgedeeld, dreigen we alerte reclamejongens misschien op een idee te brengen, maar je kan er echt niet rond dat jonge kinderen een heel speciale categorie beleggers vormen. Als je er even over nadenkt is er geen enkele leeftijdsgroep te vinden waar de behoeften zo uniform zijn als bij kinderen tussen nul en pakweg twaalf jaar oud. Dat geeft mogelijkheden waarop nog weinig wordt ingespeeld.

Bijna alle kinderen hebben een spaarboekje. Zo'n speciaal boekje waarop de banken een iets hogere getrouwheidspremie betalen dan op het boekje van de ouders. Nog niet zo lang geleden had ,,De Spaarkas'' (de ASLK, red.) nog het quasi-monopolie op kinderspaarboekjes, die toen ook nog echte boekjes waren.

In het kader van het schoolsparen, zoals dat toen werd genoemd, brachten de meeste kinderen wekelijks een vast bedrag mee dat door de klastitularis werd ingeschreven in het boekje. Op het einde van het jaar werd de rente berekend en bij ingeschreven. Als ze afstudeerden kregen de kinderen hun boekje mee naar huis.

Als formule om kinderen te leren sparen heeft het boekje ongetwijfeld grote verdiensten, maar met de moderne spaarformules die de jongste jaren werden ontwikkeld kan je alleen besluiten dat zo'n boekje voor kinderen in de overgrote meerderheid van de gevallen geen interessante optie meer is.

De keuze voor een veel rendabeler formule hoeft niet ten koste van het pedagogisch aspect te gaan. Systematisch sparen blijft mogelijk. Sommige formules bieden bovendien de mogelijkheid om het spaargeld te beveiligen tegen ,,zotte'' uitgaven van overmoedige adolescenten.

Wie even mee doordenkt beseft snel dat een spaarboekje voor kinderen eigenlijk een absurde formule is. De belangrijkste eigenschap van een boekje is dat het geld vlot -- meestal onmiddellijk -- beschikbaar is. Daarom ook blijft de rentevergoeding bescheiden.

Anderzijds is het evident dat de meeste kinderen dat spaargeld niet gebruiken voor ze pakweg twaalf jaar (vaak nog heel wat ouder) zijn. Beschikbaarheid is dus geen punt. De beleggingsperiode van tien tot meer dan twintig jaar biedt anderzijds mogelijkheden waarvan veel volwassenen slechts kunnen dromen.

Er zijn nog steeds veel ouders die maandelijks een -- min of meer bescheiden -- bedrag opzij zetten voor hun kinderen. Naast die maandelijkse spaarinspanning vinden ook de verjaardags- en de nieuwjaarscent van oma en opa, peter en meter meestal wel hun weg naar het fameuze boekje.

Hoewel ze waarschijnlijk minder talrijk zijn dan vroeger, horen we toch nog ouders zuchten dat die spaarcenten eigenlijk een startkapitaal moeten vormen voor de dag dat het kind afgestudeerd is, hopelijk een job heeft, en het ouderlijk huis verlaat om zelfstandig te gaan leven. Ze zouden het pijnlijk vinden dat de bijeengespaarde centen al redelijk snel gebruikt zouden worden om een scooter of een (tweedehands)auto, dure modekleding of een allicht nog totaal overbodige, maar o zo trendy gsm te kopen.

Daarom is het des te vreemder dat zoveel mensen vrede nemen met het kinderspaarboekje. Van zodra ze zestien jaar worden, kunnen kinderen, zonder enige controle van de ouders, om het even welke som van zo'n boekje halen. De vrucht van jarenlang sparen kan in een paar weken opgesoupeerd worden. Maar welke alternatieven bestaan er? Voor beleggingsperiodes van 10 jaar en meer zijn aandelen ongetwijfeld de meest rendabele belegging. Uit diverse studies blijkt dat beleggingen in aandelen de jongste 50 jaar een gemiddelde jaarlijkse return opleverden van ongeveer 10 procent.

Maar voor kinderen is de beurs een weinig praktische formule. Je kan moeilijk met elke honderd of duizend frank die ze krijgen aandelen gaan kopen. En wat doe je met de dividenden? Bovendien snappen kleinere kinderen er niets van. Hoe leg je hen uit dat hun spaarcenten belegd zijn in chips die niet in de supermarkt te koop zijn?

Een beleggingsfonds dat vooral in aandelen investeert is iéts praktischer, maar één deelbewijs kost al gauw enkele duizenden frank. Systematisch enkele honderden frank per maand opzij zetten kan natuurlijk, maar dan moet het geld eerst langs een spaarboekje tot er voldoende bijeen is gespaard, een hele administratie.

Obligaties botsen op dezelfde problemen als aandelen. De minimumbedragen bij intekening liggen nog veel hoger en bovendien vervallen obligaties ook. De geïnvesteerde bedragen, en de uitgekeerde coupons moeten dus regelmatig herbelegd worden,... Weer behoorlijk wat rompslomp en eigenlijk alleen iets voor ouders die er financieel echt zwaar willen tegenaan gaan. Een beleggingsfonds lost de problemen maar heel gedeeltelijk op.

Gelukkig zijn er ook levensverzekeringsproducten. Hoe vreemd het ook moge klinken: een levensverzekering biedt in heel wat opzichten een gedroomde belegging voor kinderen. Levensverzekering moet je dan niet interpreteren in de traditionele betekenis. De jongste jaren evolueerden die verzekeringen tot moderne spaarproducten met aantrekkelijk rendement. Sommige verzekeringsmaatschappijen of banken die ook in verzekeringen actief zijn bieden bovendien speciaal aangepaste kinderformules aan.

Nagenoeg alle contracten werken met een vaste rente van 3,25 procent per jaar. Daar bovenop komt een deelname in de winst van de verzekeringsmaatschappij. Die deelname kan van jaar tot jaar variëren, maar minder dan 1 procent komt niet vaak voor en anderhalf tot twee procent is de jongste jaren courant. In de praktijk ligt het nettorendement ergens tussen 4,25 en 5,25 procent.

De jaarlijkse opbrengst wordt gekapitaliseerd, waardoor ze vrij is van roerende voorheffing als het contract een looptijd heeft van ten minste 8 jaar en één dag, of als een overlijdensdekking wordt genomen van 30 procent van het bijeengespaarde kapitaal. Vraag is of dat voor kinderen veel zin heeft, want die dekking is uiteraard niet gratis.

Bij de meeste maatschappijen zijn er in- en/of uitstapkosten (2 tot 3 procent), maar er zijn er ook die totaal geen kosten aanrekenen, tenzij je de rekening na enkele jaren al wil opdoeken. Het bedrag van de stortingen en de periodiciteit ervan zijn soms vrij, soms moet je minimaal enkele duizenden frank storten.

In zo'n geval kan een spaarboekje als ,,tussenrekening'' een oplossing bieden. Je spaart op een (liefst hoogrentend) boekje tot je aan het minimumbedrag van de storting bent en sluist het geld dan door naar de levensverzekering.

Soms wordt gevraagd dat tijdens de eerste jaren versneld een kapitaaltje wordt opgebouwd van ongeveer 20.000 frank, waarna de verdere stortingen vrij zijn.

Enkele maatschappijen bieden een gemengde formule aan, waarbij een deel van het gespaarde geld belegd wordt in de klassieke levensverzekering, en de rest naar een beleggingsfonds gaat. Vaak heb je dan nog eens de keuze uit enkele fondsen waarbij vooral het risicoprofiel verschilt. Op die manier kan het globaal rendement van het kinderspaargeld aardig worden opgekrikt, maar je neemt uiteraard wel een (klein) risico.

Alle contracten worden aangegaan voor een bepaalde periode. De ouders kunnen vrij kiezen voor een contract tot 18 jaar, 21 jaar of ouder, met een maximum van 25 jaar. Voordien is het geld niet beschikbaar. Sommige maatschappijen staan wel toe dat (een deel van) het bedrag vroeger wordt opgenomen voor de aankoop of de bouw van een woning of grond, bij de aanvang van hogere studies en/of bij een huwelijk.

Een vergelijking van de formules, als we er van uitgaan dat voor een kind gemiddeld 500 frank per maand wordt gespaard, leert dat de klassieke kinderrekening (3 procent) op 25 jaar tijd een bedrag van 223.000 frank genereert. Een klassieke levensverzekering, uitgaande van een gemiddelde winstdeling van 1,5 procent, levert na 25 jaar 286.000 frank op.

Als een derde van het gespaarde bedrag 7,5 procent opbrengt in een beleggingsfonds, stijgt het uiteindelijk bedrag tot 352.000 frank., ruim de helft meer dan het gewone kinderspaarboekje. Wie wat meer in aandelen belegt -- wat gelet op de tijdshorizon geen groot risico onhoudt -- kan met wat geluk het dubbele rendement halen van een gewoon spaarboekje. Toch wel de moeite om even te bekijken.