© rtr
De Britse regering maakt maandag bekend of ze de omstandigheden rijp acht om het pond sterling in de euro te laten opgaan en dat aan een volksraadpleging voor te leggen. Ze zal het hoogstwaarschijnlijk nog te vroeg achten.

Ze baseert haar oordeel op vijf economische ,,tests'' die minister van Financiën Gordon Brown en een adviseur in 1997 voor het eerst achterin een taxi in Washington op een papiertje zouden hadden gekrabbeld, maar waarover ambtenaren inmiddels stapels documenten hebben volgeschreven. The Economist noemt het, met achttien ondersteunende studies en 2.000 bladzijden tekst, het uitvoerigste onderzoek dat de Treasury ooit aan één enkele beslissing heeft gewijd.

De vijf tests vragen of de Britse economie voldoende convergeert met die van het eurogebied, of ze flexibel genoeg is om een eigen wisselkoers als schokdemper te kunnen prijsgeven, of de Londense City er goed zou bij varen, wat er met de investeringen zou gebeuren en of de werkgelegenheid en de welvaart ermee gediend zouden zijn. Maar in feite gaat het om twee simpele vragen: zou de economie het beter doen als ze deel uitmaakte van de Europese Muntunie, en kan ze leven met de rentetarieven van de Europese Centrale Bank en met de rigide begrotingsregels van het Stabiliteitspact?

Dat het antwoord sceptisch zal zijn, kan worden vermoed. De Britse economie presteerde de jongste jaren beter dan die van continentaal Europa, het monetair beleid van de ECB kan niet voor alle lidstaten gepast zijn (het is te strak voor het wegzinkende Duitsland en niet strak genoeg voor Ierland, waar de prijzen zo sterk stijgen dat het snel een van de duurste landen in Europa wordt) en de voorzitter van de Europese Commissie zelf noemde het Stabiliteitspact ,,stupide''.

Klik op de kaart voor een uitgebreide grafiek.
Toch zijn er goede economische argumenten voor toetreding. Groot-Brittannië zou er net zo goed als België of Portugal voordeel uit halen deel uit te maken van een grote muntzone waar geen wisselkoersrisico's meer bestaan. En zowel Britse als buitenlandse ondernemingen zouden nog des te liever in het land investeren als ze zich niet langer zouden hoeven te bekommeren over de onvoorspelbare bewegingen van het pond sterling tegenover de euro.

In de grond gaat het om een politieke beslissing: wil Groot-Brittannië werkelijk in het hart van Europa aanwezig zijn en er volop zijn rol spelen, zoals premier Blair hartstochtelijk bepleit?

Zes jaar geleden werd geoordeeld dat aan vier van de vijf tests niet was voldaan, en zo zou het ook nu kunnen zijn, zij het dat het oordeel nu minder radicaal zal zijn.

Convergentie. Het verschil in korte-termijnrente met Frankrijk en Duitsland is afgenomen van bijna vier procentpunten tot één, en zowel Groot-Brittannië als het eurogebied bevinden zich in laagconjunctuur. Men zou dus kunnen concluderen dat beide economieën voldoende naar elkaar zijn toegegroeid. Maar Londen kan oordelen dat de boom van de Britse vastgoedprijzen een te groot risico inhoudt. Als dat een zeepbel zou blijken en de prijzen zouden inzakken, zou de Bank of England -- zolang ze haar bevoegdheid tenminste niet aan de ECB heeft overgedragen -- kunnen reageren met renteverlagingen.

Flexibiliteit. Als de Britse lonen en prijzen uit de pas gaan lopen, kan dat worden gecorrigeerd door een koersdaling van het pond sterling. Maar als het land deel zal uitmaken van de eurozone, moeten de lonen dalen in vergelijking met die van het vasteland om de concurrentiekracht te herstellen.

De scherpe stijging van het pond sterling in de late jaren negentig tastte de Britse concurrentiekracht aan en de recente koersdaling heeft dat probleem vermoedelijk nog niet geheel uitgevlakt. Bovendien kan de regering aanvoeren dat de economie van het eurogebied zelf niet flexibel genoeg is. De starre werking van de arbeidsmarkt heeft tot gevolg dat de werkloosheid er veel hoger ligt dan in Groot-Brittannië, en er is weinig vooruitgang naar de realisatie van de Lissabon-doelstellingen.

Investeringen. Dit kan moeilijk anders dan een argument voor toetreding zijn. Doordat het wisselrisico wegvalt, geven muntunies de handel een sterke stimulans. Meer handel en doorzichtiger prijzen verscherpen de concurrentie en versnellen de productiviteitsgroei. Tot dusver oefende Groot-Brittannië de grootste aantrekkingskracht uit op de multinationale ondernemingen, maar vorig jaar viel zijn aandeel in de buitenlandse directe investeringen scherp terug. Het volatiele pond ergert de investeerders ongetwijfeld, en zij kunnen zich afvragen of het land zich blijvend wil isoleren van een Europese thuismarkt met straks bijna een half miljard consumenten.

De City. Zes jaar geleden concludeerde het ministerie van Financiën dat het voor het Londense financiële centrum -- het kroonjuweel van de Britse economie -- beter zou zijn dat het land tot de Europese muntunie toetrad, en er is geen reden om daar vandaag anders over te oordelen. De vrees dat veel financiële diensten naar Frankfort zouden worden overgebracht, is echter ongegrond gebleken. De City is reeds een dominante speler in de euro-markt.

Groei en werkgelegenheid. Op beide vlakken doet Groot-Brittannië het beter dan de meeste landen die nu deel uitmaken van de muntunie en dat lijkt vooralsnog zo te zullen blijven. Gordon Brown zette dat bij de voorstelling van zijn jongste begroting dik in de verf.

De kanselier kan uit de vijf tests dus gemakkelijk concluderen dat het nog te vroeg is om tot de Europese muntunie toe te treden. Vorige week onderstreepte hij in een toespraak tot bedrijfsleiders dat hij geen risico's zal nemen met de moeizaam verworven stabiliteit van de Britse economie. Tevens verwees hij met nadruk naar ,,de geloofwaardigheid en de soliditeit van het economische beleidsregime dat rond de Bank of England is opgebouwd''. Dat zijn niet bepaald uitspraken van iemand die op het punt staat het prijsgeven van de eigen munt aan te bevelen.

Hij hoeft niet te vrezen dat hij de publieke opinie tegen zich zal krijgen: er zijn onder de bevolking tweemaal zoveel tegen- als voorstanders van de euro. De Confederation of British Industry, de centrale werkgeversorganisatie, was sterk voor, maar stelt zich nu vrij neutraal op. Ook het enthousiasme van de vakbonden is afgenomen.

De meeste kwaliteitskranten zijn voor; de rest van de pers is tegen. De Conservatieven tellen slechts een handvol voorstanders; de Liberaal-Democraten zijn over het algemeen voor lidmaatschap. De eerste minister is gloeiend voorstander. De Bank of England is officieel neutraal, maar is er niet op gebrand haar bevoegdheid over het monetair beleid prijs te geven. Het ministerie van Financiën zou zijn beleidsruimte ingeperkt zien door het Stabiliteitspact.

Bij velen leeft ook het trauma nog van de deelname aan het wisselkoersmechanisme van het Europees Monetair Stelsel en de smadelijke manier waarop een massale speculatiegolf op ,,zwarte woensdag'', 16 september 1992, het pond sterling eruit gooide.

De vijf tests waren een vernuftige manier om mist te spuiten rond onprettige politieke keuzen, een beslissing voor zich uit te schuiven en dit alles de schijn van wetenschappelijkheid te geven. Maar in feite zijn de antwoorden erop een erg subjectieve aangelegenheid.

Niemand kan op wetenschappelijke wijze vaststellen, zo argumenteert Hans Martens, directeur van het European Policy Centre in Brussel, wanneer de economische cycli en de structuren voldoende met elkaar verenigbaar zijn om met succes van een muntunie deel uit te maken. Niemand kan zeggen wanneer er voldoende flexibiliteit is of kan voorspellen dat lidmaatschap het investeringsklimaat zal verbeteren en meer groei, stabiliteit en werkgelegenheid in de groei zal werken. Niemand kan een risicovrij leven in de muntzone waarborgen.

Hoewel ze de ,,vijf economische tests'' zijn gedoopt, vergen ze een politiek antwoord en een diepgaand debat over de economische en politieke gevolgen van een Britse toetreding - of van de beslissing om afzijdig te blijven. Dat antwoord is cruciaal voor de toekomstige relatie, in de breedste zin, van Groot-Brittannië met de rest van Europa. Het is dus ook cruciaal voor de toekomst van de Europese Unie zelf.

Alles laat echter voorzien dat maandag alleen zal worden vastgesteld dat ,,de tijd nog niet rijp is''. Het referendum over de invoering van de euro zal dan worden uitgesteld tot na een derde opeenvolgende verkiezingsoverwinning van Labour.

  • In de krant van zaterdag laat deze krant in de sectie buitenland voor- en tegenstanders van het laten opgaan van het pond sterling in euro aan het woord.