BRUSSEL -- Hogere belastingen op sigaretten zijn een aangewezen voorzorg tegen ziekte en vroegtijdige dood. In tegenstrijd tot wat veelal wordt aangenomen, kunnen daardoor op gezondheidsgebied grote vorderingen worden gemaakt zonder de economie te schaden, zo wijst recent onderzoek uit.

Wereldwijd roken 1,1 miljard mensen, en op grond van de huidige trends zullen dat er over vijfentwintig jaar 1,6 miljard zijn. In de rijke landen daalt het aantal sinds verscheidene decennia, ook al stijgt het bij sommige bevolkingsgroepen. Elders neemt het sigarettenverbruik toe.

Weinig mensen zouden het nog in hun hoofd halen te ontkennen dat dit de gezondheid schaadt. Ziekten die verband houden met het roken zijn verantwoordelijk voor één op tien overlijdens van volwassenen. In 2030, en misschien eerder, zal die ratio één op zes zijn, wat neerkomt op 10 miljoen doden per jaar. Roken zal dan de belangrijkste doodsoorzaak zijn.

Tot voor kort trof die epidemie van chronische ziekten en voorbarige dood voornamelijk de bevolking van de rijke landen, maar ze verschuift snel naar de ontwikkelingswereld.

Roken heeft twee grote gevolgen voor de gezondheid: het leidt snel tot verslaving, en het veroorzaakt uiteindelijk fatale ziekten, onder meer kanker en ziekten van hart en bloedvaten en van de ademhalingswegen. De helft van alle langdurige rokers zal daar uiteindelijk ook aan sterven, en bij de helft van hen zal dat nog gedurende hun productieve leeftijd gebeuren.

Aangezien armen vaker rokers zijn dan rijken, lopen ze ook grotere risico's. En roken heeft ook gevolgen voor de gezondheid van niet-rokers, zoals kindjes van rokende moeders.

Toch schrikken talrijke regeringen ervoor terug er iets tegen te doen, uit vrees voor economische schade. Sommige vrezen voor het verlies van duizenden banen, voornamelijk in de landbouw; andere zijn beducht voor een daling van de overheidsinkomsten of voor massale smokkel.

Onderzoekers van de Wereldgezondheidsorganisatie, het IMF en de Wereldbank gingen na welke economische weerslag de terugdringing van het tabaksverbruik kan hebben. (Death and Taxes: Economics of Tobacco Control. Finance & Development, december 1999).

Moet men de consument niet zelf de afweging laten maken tussen het plezier dat hij in het roken schept (of het vermijden van de pijn van de ontwenning) en wat het hem in ruime zin kost? Niet helemaal, want er zijn drie grote verschillen met de beslissing om andere verbruiksproducten te kopen.

Veel rokers, vooral in de armere landen, zijn zich niet volledig bewust van de gevaren die hun keuze inhoudt, en in de rijke landen minimaliseren velen het risico dat ze lopen. Ten tweede begint de verslaving aan nicotine veelal reeds tijdens de jeugdjaren. En ten derde veroorzaakt roken financiële en andere kosten voor niet-rokers.

In de rijke landen vertegenwoordigen de met roken verband houdende ziekten 6 tot 15 procent van de jaarlijkse kosten van gezondheidszorg, en niet-rokers betalen een beduidend gedeelte daarvan. Rokers kosten het budget van de gezondheidszorg elk jaar meer dan niet-rokers, althans in de ontwikkelde landen. Of dat ook over hun gehele levensduur bekeken het geval is, wordt betwist: rokers sterven vroeger dan niet-rokers.

Het argument dat een succesrijke strijd tegen het roken tot permanent banenverlies zou leiden, weegt niet zwaar. Een dalende vraag naar tabak leidt niet noodzakelijk tot een lager werkgelegenheidsniveau: het geld dat rokers aan sigaretten spendeerden, zullen ze allicht aan iets anders uitgeven, wat in andere sectoren tot nieuwe banen leidt. Wel zijn er enkele landen, vooral in Afrika, waarvan de economie sterk van de tabaksteelt afhangt. Als de wereldvraag naar tabak zou terugvallen - wat hoe dan ook slechts een langzaam proces zou zijn - zouden die klaarblijkelijk moeten worden geholpen.

De vrees dat hogere belastingen op sigaretten de overheidsontvangsten zouden aantasten, wordt door de realiteit tegengesproken. Het blijkt integendeel dat een verhoging van de belastingen ook de ontvangsten kan doen groeien (grafiek). Verslaafde consumenten reageren namelijk slechts traag op prijsverhogingen.

Het is natuurlijk mogelijk dat hogere belastingen de smokkel in de hand zullen werken, zeker in een land zoals België waar het buitenland nooit veraf is. Dat risico wordt al heel wat kleiner als landen gezamenlijk hun belasting optrekken.

En ten slotte zullen hogere belastingen een onevenredig zware weerslag hebben op de armere rokers. Daarop kan echter worden geantwoord dat de beleidsmensen zich beter bezorgd zouden tonen over de invloed van het gehele stelsel van belastingen en overheidsuitgaven op de welvaartsverdeling dan over die van individuele belastingen.

Best zou zijn als men elk probleem rechtstreeks kon aanpakken. Maar in de praktijk is een verhoging van de tabaksbelastingen vermoedelijk de doelmatigste weg om kinderen van het roken af te houden en volwassenen ertoe aan te zetten ermee te stoppen. Vooral het rookgedrag van jongeren wordt hiermee beïnvloed, aangezien zij gevoeliger zijn voor prijsverhogingen dan volwassenen.

Onderzoek in zowel rijke als arme landen toont aan dat het duurder maken van het roken een zeer doelmatig middel is om de vraag te drukken. Gemiddeld zou een prijsverhoging van 10 procent de vraag naar sigaretten op korte termijn met 4 procent doen dalen in de ontwikkelde landen en met 8 procent in ontwikkelingslanden. Op lange termijn zou de respons naar raming tweemaal zo groot zijn.

Belastingverhogingen die de reële sigarettenprijs (na aftrek van inflatie) wereldwijd met 10 procent opdrijven, zouden ten minste 40 miljoen rokers doen beslissen te stoppen, aldus het onderzoekersteam. Daardoor zouden ten minste 10 miljoen door tabak veroorzaakte overlijdens worden voorkomen.

Welk belastingniveau is aangewezen? Men zou zich best richten op dat van de landen waar het sigarettenverbruik gedaald is. De belastingcomponent van de prijs van een pakje sigaretten ligt er tussen twee derde en vier vijfde van de kleinhandelsprijs. In België is dat iets minder dan 75 procent, namelijk ongeveer 102 fr. per pakje van 138 fr., wat de jongeren nochtans niet blijkt af te schrikken. In de ontwikkelingslanden bedraagt de belasting niet meer dan de helft van de kleinhandelsprijs.

Er worden ook andere ontradende middelen aangewend, zoals advertentieverbod, tegenreclame, gezondheidswaarschuwingen, verspreiding van wetenschappelijk bevindingen over de gevolgen van het roken, rookverbod op diverse plaatsen en het vergemakkelijken van de toegang tot nicotive-vervangende therapie en andere remedies voor rokers die willen stoppen. Dit alles zou volgens het onderzoek minimaal 23 miljoen rokers van het roken kunnen afbrengen en 5 miljoen overlijdens voorkomen.

Optreden gericht op het verminderen van de vraag kan dus naar alle waarschijnlijkheid succes hebben. Acties om het aanbod te beperken, hebben veel minder slaagkansen. Als een leverancier wegvalt, duikt er wel snel een andere op, en tabaksplanters zullen er niet gemakkelijk van te overtuigen zijn op iets anders over te schakelen. Het zou wel goed zijn als de subsidies die vooral rijke landen aan hun tabaksteelt toekennen werden afgeschaft.

Wat moet dan uiteindelijk de beleidsagenda zijn? Sommige regeringen zullen zich vooral genoopt voelen op te treden om kinderen van het roken af te houden. Een strategie die uitsluitend daarop gericht is, zou echter gedurende verscheidene decennia zo goed als geen voordelen op het vlak van de volksgezondheid opleveren. De meeste aan roken toe te schrijven overlijdens zullen in de komende vijftig jaar bij de huidige rokers optreden (grafiek).

Er is dus veel te zeggen voor belastingverhogingen tot ten minste twee derde á vier vijfde van de kleinhandelsprijs, in combinatie met de opgesomde maatregelen met betrekking tot de informatie over de risico's en de ruimere toegang tot vervangingstherapieën. Roken houdt een enorme dreiging in voor de volksgezondheid, maar het potentieel voor het terugdringen van ziekte en sterfte is niet minder aanzienlijk.