BRUSSEL -- Niet alle onderhoudsgelden die een belastingbetaler betaalt, zijn fiscaal aftrekbaar. De wet (art. 104, 1° van het wetboek van de inkomstenbelastingen) laat alleen de aftrek toe van (tachtig procent van) de uitkeringen die worden betaald op grond van een wettelijke verplichting uit het burgerlijk of het gerechtelijk wetboek. De belastingadministratie weigert soms de aftrek van onderhoudsgelden als de ontvanger ervan niet behoeftig is. Nochtans speelt die behoeftigheid niet altijd een rol.

U zal tevergeefs zoeken in het wetboek van de inkomstenbelastingen (W.I.B.) naar een artikel in verband met de behoeftigheid. Het W.I.B. verwijst voor de aftrekbaarheid van onderhoudsgelden naar bepalingen van het burgerlijk (B.W.) en gerechtelijk wetboek (Ger.W.).

Dat heeft eerst en vooral voor gevolg dat uitkeringen aan personen die geen recht hebben op onderhoudsgeld, niet fiscaal aftrekbaar zijn. Zo kunnen uw broer of zus, oom of tante van u geen alimentatiegeld eisen. Hebben zij het niet breed en past u maandelijks iets bij, dan doet u dat met geld na belasting.

Uw schoonmoeder kan dan weer wel bij u komen aankloppen op basis van artikel 206 B.W. Controleer dus eerst de vermogenstoestand van uw schoonouders, voor u het jawoord geeft.

Is uw schoonmoeder weduwe en hertrouwt ze, dan verliest ze haar recht op alimentatie. Uw samenwonende schoonmoeder tot een huwelijk aansporen, kan u dus geld besparen.

Ouders, kinderen, grootouders en schoonouders die aanspraak willen maken op een onderhoudsgeld, moeten wel aantonen dat zij behoeftig zijn (art. 208 B.W.). Dat houdt in dat zij zonder hulp niet kunnen rondkomen. Hun behoeftigheid moet wel onvrijwillig zijn. Een perfect gezonde zoon of dochter die het vertikt om te gaan werken, zal het niet gemakkelijk hebben om een rechter te overtuigen van zijn of haar recht op onderhoudsgeld.

Een rechterlijke uitspraak is nochtans niet altijd vereist. Een onderhoudsgenieter moet pas een beroep doen op de rechtbank wanneer de onderhoudsplichtige zijn verplichtingen niet vrijwillig nakomt. Een vonnis of arrest helpt natuurlijk wel om te bewijzen dat alle wettelijke voorwaarden, waaronder vaak de staat van behoefte, vervuld zijn.

In sommige gevallen speelt de behoefte echter geen rol. Dat is bijvoorbeeld het geval bij onderhoudsuitkeringen na een echtscheiding bij onderlinge toestemming.

Deze uitkeringen gebeuren op grond van een overeenkomst tussen de echtgenoten (art. 1288 Ger.W.) . Ook deze betalingen vallen onder de aftrekbare onderhoudsuitkeringen.

De rechtbank van eerste aanleg van Antwerpen moest zich onlangs (15 januari 2003, Fiskale Koerier nr. 9) uitspreken over een onderhoudsgeld dat was betaald op grond van een Nederlands echtscheidingscovenant. De administratie verwierp de aftrek van deze alimentatiegelden omdat de dame die ze ontving, niet behoeftig was en het derhalve zou gaan om een vrijwillige betaling.

De rechtbank volgt deze zienswijze niet. In navolging van de administratieve commentaar (Com.I.B., 104/7) aanvaardt de rechtbank dat ook onderhoudsgelden betaald op grond van een buitenlandse bepaling, die gelijkaardig is aan de Belgische artikelen, voor aftrek in aanmerking komen. De Nederlandse regeling van een echtscheidingscovenant is vergelijkbaar met de Belgische overeenkomst naar aanleiding van een echtscheiding bij onderlinge toestemming. Ook in dat laatste geval is geen behoeftigheid van de rentegenieter vereist.

De vaststelling van de administratie dat de dame niet behoeftig was, is fiscaal niet relevant en de aftrek van de betaalde onderhoudsgelden wordt toegestaan.

  • Deze rubriek verschijnt wekelijks op donderdag. De auteur is advocaat bij Dumon, Sablon & Vanheeswijck.