Het uitblijven van economische groei en de verslechtering van de overheidsfinanciën vergroten de ongerustheid over het pensioenprobleem nog. Het is echter één van die domeinen waar de politieke besluitvorming bijna noodgedwongen in gebreke lijkt te moeten blijven.

Hoe kan van politici, van wie wordt gezegd dat hun tijdshorizon niet verder reikt dan de volgende verkiezingen, worden verwacht dat ze onpopulaire maatregelen zullen treffen om de duurzaamheid van de pensioenstelsels te waarborgen, terwijl dat probleem zich pas na 2010 in al zijn scherpte zal opdringen? Welke afweging maken vakbonden tussen de belangen van gepensioneerden en bijna-gepensioneerden en die van de jongeren, die veel meer zullen bijdragen dan ze zullen terugkrijgen? Hoe bereikt men dat de bevolking zich niet automatisch achter diegenen schaart die, zoals in Frankrijk, bij elke poging tot hervorming het land platleggen?

De pensioenuitgaven in de Europese Unie vertegenwoordigen elf procent van het bruto binnenlands product. Dat is tweemaal zoveel als het gemiddelde van de overige rijke landen. België zit aan tien procent. Oostenrijk, de kampioen, aan veertien procent.

Aangezien de afhankelijkheidsratio (verhouding tussen het aantal 64-plussers en de bevolking op arbeidsleeftijd) tegen 2040 zal verdubbelen, zou bij ongewijzigd beleid mogen worden verwacht dat ook de pensioenlast ruwweg verdubbelt. In werkelijkheid zal de stijging iets minder radicaal zijn, aangezien al wat maatregelen zijn getroffen. Hoe dan ook is het niet waarschijnlijk dat de actieven bereid zullen zijn om hun bijdragen in die mate te zien stijgen. Een geleidelijke afbrokkeling van de koopkracht van de wettelijke pensioenen is zo goed als onvermijdelijk.

Maar ook als er geen budgettaire en demografische druk zou zijn, zouden de meeste Europese landen hun pensioenstelsels moeten hervormen als antwoord op drie grote sociaal-economische veranderingen: de toenemende participatie van vrouwen in de arbeidsmarkt en de veranderende gezinsstructuur, de stijging van de atypische tewerkstelling en de noodzaak van levenslang leren.

De stijging van het aantal werkende vrouwen wordt tot dusver weinig weerspiegeld in de structuur van de pensioenuitkeringen, die nog altijd gebaseerd is op het traditionele beeld van buitenshuis werkende man en echtgenote die thuis voor de kinderen zorgt. Maar weldra loopt de helft van de huwelijken (tweede en derde huwelijken inbegrepen) op een scheiding uit, en slechts enkele landen hebben de pensioenrechten geïndividualiseerd. In de meeste landen bestaan nog ,,uitkeringsvallen'' die vrouwen met een overlevingspensioen ervan weerhouden zich opnieuw op de arbeidsmarkt aan te bieden of te hertrouwen.

Ook is er de afname van het aantal voltijdse betrekkingen en de toename van het aantal deeltijdse, pseudo-zelfstandige en tijdelijke banen. Mensen in die situatie worden niet erg gediend door de huidige pensioenstelsels, die gebaseerd zijn op de fictie van voltijdse werkgelegenheid.

Die stelsels blijven ook uitgaan van de strikte scheiding van de drie grote levensfasen -- onderwijs, werk en pensioen. De moderne economie en de noodzaak van levenslang leren vergen echter pensioenstelsels die de mengeling van die drie activiteiten veeleer aan- dan ontmoedigen.

De derde grote reden waarom in Europa aan de organisatie van de pensioenen moet worden gesleuteld, ligt in de tot stand gekomen muntunie. De lidstaten zullen hun begrotingen op de lange duur maar in evenwicht kunnen houden als ze hun pensioenstelsels hervormen. Bovendien zijn die stelsels niet aangepast aan de noodzaak van meer arbeidsmobiliteit tussen beroepen en staten.

Als de stimulansen om pensioenhervormingen door te voeren zo gering zijn en het verzet ertegen zo groot, waarom slaagden een aantal landen in West- en Oost-Europa en in Latijns-Amerika er dan in om grote, soms fundamentele veranderingen door te voeren? Internationale experts gingen na wat uit de opgedane ervaringen te leren valt (Pension Reform in Europe: Process and Process, Wereldbank, 198 blz.).

Het eerste pensioenstelsel werd uitgedacht in Duitsland en ingevoerd door Bismarck in 1889. Denemarken en Nieuw-Zeeland volgden, en daarna ook Australië, België (in het eerste decennium van de twintigste eeuw), Oostenrijk, IJsland, Groot-Brittannië, Ierland en Tsjechoslowakije, dat toen nog deel uitmaakte van het Oostenrijks-Hongaarse rijk. Met wat vertraging volgden landen als Nederland, Zweden, Frankrijk, Italië en Spanje, en tussen de twee wereldoorlogen voerden ook Oost-Europa, enkele Zuid-Amerikaanse landen en Zuid-Afrika pensioenstelsels in.

Maar de grote doorbraak kwam er na de Tweede Wereldoorlog onder impuls van de principes van sociale bescherming die de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) in 1944 had geformuleerd in haar Verklaring van Philadelphia, waarachter de westerse geallieerden zich hadden geschaard.

Fase II, die van de hervormingen, werd ingezet toen Chili in 1981 zijn pensioenstelsel privatiseerde. Dat gebeurde onder de dictatuur van generaal Pinochet, en de drijvende kracht erachter waren de technocraten van de universiteit van Chicago die als adviseurs waren aangetrokken. Vandaaruit verspreidde de golf zich naar andere landen van Latijns-Amerika en naar Europa.

Die tweede fase verliep tweemaal zo snel als de eerste. De initiatiefnemer was ditmaal geen leidende industriestaat maar een ontwikkelingsland aan de periferie. En de drijvende kracht achter de internationale verspreiding was ditmaal niet de ILO maar de Wereldbank. Nog in de jaren tachtig volgden Zwitserland, Nederland en Groot-Brittannië, en in de jaren negentig Australië, Denemarken, Zweden, Polen, Hongarije, Kazachstan, Argentinië, Bolivia, Colombia, Mexico, Peru, Uruguay en El Salvador. Sinds de eeuwwisseling zijn ook nog hervormingen doorgevoerd in Bulgarije, Estland, Letland, Kroatië, Hongkong, Costa Rica en Nicaragua.

In grote lijnen ging het om de invoering van multipijler-systemen ter aanvulling of vervanging van de wettelijke stelsels, beheerd door een centrale sociale administratie, met pensioenuitkeringen waarvan de omvang vooraf bepaald was -- doorgaans een percentage van het vroegere inkomen -- en die in de regel op hetzelfde moment werden betaald door de werkende bevolking (omslag- of repartitiestelsels).

In Latijns-Amerika was de belangrijkste aanleiding tot de hervormingen het verlies aan vertrouwen in het bestaande pensioenstelsel wegens corruptie, politisering en geringe beheerscapaciteit van de staat. Elders zette de veroudering van de bevolking de omslagstelsels onder druk. En in recente jaren stagneerde de loonstijging, wat een weerslag had op de daaraan gebonden pensioenuitkeringen, terwijl de opbrengst van beleggingen (tot aan het uiteenspatten van de beurszeepbel) sterk opliep, zodat kapitalisatiestelsels het beter deden dan de wettelijke omslagstelsels.

Uit beide fasen, zowel de spreiding van de pensioenstelsels na 1889 als de hervormingen na 1981, kan volgens de auteurs worden afgeleid dat landen hervormingen doorvoeren in navolging van wereldwijde en regionale modellen en onder invloed van normen en ideeën die verspreid worden door internationale instellingen.

Privatiseringen van pensioenstelsels in Latijns-Amerika en Oost-Europa wezen uit dat democratische regimes in staat zijn radicale hervormingen door te voeren. De drijvende krachten waren meestal neoliberaal gezinde ministers van Financiën en van Economische Zaken, gesteund door beleidsadvies en financiële hulp van internationale instellingen. In de meeste landen kwamen de hervormingen er pas na een crisis in het repartitiestelsel. Soms speelden ook politieke factoren een rol, zoals de wens om afstand te nemen van het voorgaande regime.

Hoe dan ook vergt elke hervorming een lang proces van dialoog, onderhandelingen en coalitievorming. Vakbonden spelen daarin een belangrijke rol. Soms worden grote campagnes via de media gevoerd om de publieke opinie te overtuigen.

De auteurs zeggen in vrijwel alle landen twee algemene tendensen waar te nemen: de uitkeringen worden sterker gekoppeld aan de bijdragen, en er wordt ruimte gecreëerd voor vormen van inkomensvoorziening in de derde leeftijd door de particuliere sector.

Hun conclusie zal velen schokken: in toenemende mate ontdoen de Europese staten zich van hun verplichtingen van pensioenverstrekking. Door de verwachtingen omtrent het peil van de toekomstige uitkeringen te verlagen, creëren ze terzake een leefbare rol voor de particuliere sector.