BRUSSEL -- De beleggers werden afgelopen week weer eens op het verkeerde been gezet. Na hoopgevende berichten over de evolutie van de Amerikaanse economie kwam een stroom negatieve indicatoren de stemming bederven. De rente schoot eerst omhoog, maar zakte tegen het einde van de week weer in elkaar.

Het zag er einde vorige week nochtans veelbelovend uit. Het Amerikaanse ministerie van Economische Zaken publiceerde de cijfers voor het eerste kwartaal van dit jaar.

Twee procent groei was duidelijk beter dan economisten verwacht hadden. Meer dan het dubbele, bijna het drievoudige zelfs van het kwartaal voordien.

Tegelijk bleek ook dat de prijzen opnieuw onder druk staan. Niet bepaald een teken van zwakke groei. Vorige week waarschuwden we al voor overdreven optimisme. Dat de kansen op het vermijden van een heuse recessie nu hoger ingeschat worden dan pakweg een maand geleden, staat buiten kijf, maar daaruit concluderen dat het ergste voor de Amerikaanse economie achter de rug is, lijkt voorlopig nog een stap te ver.

Vergeet niet dat de Amerikaanse centrale bank een kleine maand geleden onverwacht de rente verlaagde. Nogal wat economen vermoeden dat voorzitter Alan Greenspan van de Federal Reserve daartoe besloot omdat hij aanduidingen had dat het nog steeds niet te best gaat met de Amerikaanse economie.

Aanvankelijk hadden de beleggers daar geen oren naar. De rente steeg scherp omdat vrij massaal werd overgestapt naar de beurs. Het ergste leek achter de rug, en als het beter gaat met de economie kan je maar best overstappen op aandelen. Beleggers verkochten daarom hun obligaties en dat deed de koersen dalen, waardoor het rendement oploopt.

Maar niet voor lang. Tijdens de tweede helft van de week pakten de donderwolken opnieuw samen. Vooral de tewerkstellingscijfers vielen zwaar tegen. Volgens het ministerie van Arbeid waren er in april buiten de (erg seizoengebonden) landbouw 223.000 banen minder dan de maand voordien. De werkloosheidsgraad liep daardoor op tot 4,5 procent, het hoogste percentage sinds oktober 1998. In maart schommelde het percentage rond 4,3 procent.

Daarbovenop kwam een daling van de NAPM-index. De aankoopdirecteuren anticiperen minder op economische groei dan de maand voordien, en dat is slecht nieuws wegens het voorspellend karakter van de index.

Prompt daalden de rendementen opnieuw. Beleggers slipten snel terug naar de markt van het vastrentend papier. De rente op schatkistpapier met een looptijd van twee jaar bijvoorbeeld zakte daardoor naar het laagste peil sinds tweeënhalf jaar.

Dat de rentebewegingen speculatief zijn, blijkt ook uit de merkwaardige stabiliteit van de langetermijnrente in de Verenigde Staten. Die beweegt nauwelijks omdat de markt een stuk liquider is en dus minder hefboomeffect biedt als de vraag naar papier toe- of afneemt.

In Europa gebeurde ondertussen nauwelijks wat. De directie van de Europese Centrale Bank (ECB) maakte nog eens duidelijk dat er van een spoedige renteverlaging geen sprake is en dat de inflatie voorlopig haar enige bezorgdheid blijft.

Op de emissiemarkt was er heel veel activiteit, maar weinig emittenten mikten op particuliere beleggers. Vooral Belgen bleven in de kou staan omdat slechts één enkele lening leverbaar is. Deutsche Finance biedt 5,4 procent in euro voor een looptijd van 10 jaar.

Traditioneel is de maand mei met haar vele feestdagen een rustige periode op de emissiemarkt, maar analisten van de BBL verwachten de komende weken toch nog wat activiteit. Vooral omdat zij nog negatief nieuws rond de Amerikaanse economie zien opduiken en de rente bijgevolg nog wat kan dalen. Een goede tijd voor ontleners dus.