De inhoud van zijn portefeuille is nog steeds een goed bewaard geheim, maar de gretigheid waarmee de Vlaming probeert hem wat te stijven is nu wel gemeengoed. Ouderen wagen zich ervoor op het Internet, jongeren worden plots pleitbezorgers van het huwelijk. De fameuze ,,modelbrief'' waarover we het hier vorige week hadden, waarmee gehuwden geld van de fiscus kunnen terugvorderen, heeft blijkbaar half Vlaanderen beroerd. Het doet ons allemaal wat denken aan die wijngaard, waar de werkers van het eerste uur jaloers worden op die van het laatste uur als ze vernemen dat zij eenzelfde dagloon ontvangen. Een fiscale parabel?

Het is niet onze gewoonte drie keer op hetzelfde onderwerp terug te komen in een tijdspanne van nauwelijks meer dan een week. Maar we hebben tijdens het weekeinde de kans gezien de brief wat grondiger te bestuderen. En bovendien werden we afgelopen week telefonisch gewoon ondergesneeuwd door lezers en niet-lezers die meer inlichtingen vroegen over die ,,modelbrief'' (DS 26 en 28 april).

Uit welbegrepen eigenbelang willen we daarom een uitzondering maken. Vooral, laat daar geen misverstand over bestaan, om het enthousiasme wat te temperen en al te grote teleurstellingen te vermijden. Overigens zijn het niet de gehuwden die benadeeld worden, het zijn de samenwonenden die ten onrechte een voordeel opstrijken. Zo gek nog niet, die parabel.

Nog even kort herhalen waarover het gaat. Ongehuwd samenwonenden zijn voor de fiscus alleenstaanden. Daardoor betaalden zij vorig jaar geen belastingen op de eerste 210.000 frank van hun inkomen. Voor gehuwden was dat bedrag beperkt tot tweemaal 167.000 frank. Per paar leidde dat de jongste jaren tot een verschil van 86.000 frank in het nadeel van gehuwden.

Vanaf dit jaar wordt de belastingvrije som uitgedrukt in euro. Voor gehuwden is de eerste 4.240 euro of 171.041 frank vrij van belastingen, voor samenwonenden wordt dat 5.350 euro of 215.818 frank elk. Het verschil loopt dus op tot twee keer bijna 45.000 frank.

Dat bedrag zou normaal belast worden tegen 25 procent (de laagste belastingschijf). Bijgevolg betalen gehuwden dit jaar 22.500 frank meer belastingen dan samenwonenden. Voeg daar nog eens het effect aan toe van de gemeentebelastingen (pakweg 7 procent), en het verschil loopt op tot dik 24.000 frank. Met kinderen ten laste wordt de fiscale kloof tussen gehuwden en samenwonenden nog groter. Ze kan oplopen tot ruim 30.000 frank.

Een jonggehuwd en politiek actief jurist uit Hofstade diende twee jaar geleden een bezwaarschrift in tegen zijn aanslag in de personenbelasting. Volgens hem discrimineert de Belgische fiscale wetgeving gehuwden.

De Gewestelijke Directie van de belastingen reageerde begin vorig jaar negatief op zijn bezwaarschrift. Daarop tekende Bart Coopman beroep aan tegen die beslissing bij de toen pas opgerichte fiscale rechtbank. Die deed nog geen uitspraak, maar speelde de bal door naar het Arbitragehof in de vorm van een prejudiciële vraag.

Het Arbitragehof bekijkt en beantwoordt de prejudiciële vraag van de Leuvense rechtbank los van het concrete geval-Bart Coopman. Het Hof gaat na of artikel 131 van het wetboek van inkomstenbelasting effectief het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel schendt. Het antwoord van het Hof is bindend voor alle lagere rechtbanken.

In tegenstelling tot vroegere berichten in sommige kranten heeft de fiscale rechtbank van Leuven dus geen uitspraak ten voordele van Coopman gedaan. Als ze dat wel gedaan had, zou de vraag aan het Arbitragehof zinloos zijn.

De rechtbank stelde midden vorig jaar in een arrest enkel vast dat gehuwd en ongehuwd samenwonenden zich in gelijkaardige ,,zo niet identieke'' omstandigheden bevinden, maar dat zij voor de toepassing van het belastingvrij minimum toch anders worden belast.

De logica om aan een alleenstaande een hoger belastingvrij minimum toe te kennen wegens vaste kosten (huisvesting, auto,...) die hij alleen moet dragen, geldt niet voor ongehuwd samenwonenden omdat zij de vaste kosten, net zoals gehuwden, ,,samen delen en bekostigen''.

Dus vraagt de rechtbank van Leuven zich af of het onderscheid tussen gehuwden en ongehuwd samenwonenden in dit soort situaties niet strijdig is met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. En daarom legde zij de principiële vraag voor aan het Arbitragehof.

Dat Hof hult zich voorlopig nog in stilzwijgen. Waarom dan die plotse haast met de modelbrief? Om je rechten veilig te stellen, luidt het. En omdat op de terugvordering van belastingen een verjaringstermijn van drie jaar staat, te tellen vanaf 1 januari van het aanslagjaar waarop de belasting van toepassing is. Voor de inkomsten van 1998, aanslagjaar 1999, waarnaar de modelbrief refereert, verloopt die termijn op 31 december van dit jaar.

Dus is er eigenlijk geen haast. Zolang de brief maar voor het einde van dit jaar bij de fiscus is. Paniekerig naar de site van deze krant surfen op zoek naar het modelexemplaar en dat dan zo snel mogelijk versturen, is dus echt niet nodig. Integendeel zelfs.

Waarom niet gewoon afwachten tot het Arbitragehof een uitspraak doet? Als die er niet komt voor december, kan je nog de brief versturen. Oordeelt het Arbitragehof dat er geen sprake is van discriminatie, dan kan je je de moeite en de postzegels besparen.

De kans wordt groter geacht dat er volgens het Hof effectief sprake is van discriminatie, maar dat de overheid een overgangsperiode krijgt om orde op zaken te stellen.

Juristen refereren daarvoor naar het begin van de jaren negentig, toen het Arbitragehof een prejudiciële vraag kreeg over het verschil tussen het arbeiders- en het bediendenstatuut. Het Hof oordeelde dat het verschil ongrondwettelijk is, maar voegde eraan toe dat de overheid de tijd moest krijgen om de verschillen weg te werken.

Ook bij zo'n uitspraak heeft het geen zin meer de brief te versturen.

Maar er is meer. Met de modelbrief vragen de ondertekenaars een ,,ontheffing van ambtswege'' op basis van artikel 376, paragraaf 3 2°van het Wetboek van Inkomstenbelasting. Daarin staat dat de ,,directeur der belastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar'' ambtshalve ontheffing kan verlenen ,,van de verminderingen voortvloeiend uit de toepassing van de artikelen (...) 131 tot 135 (...)''.

In mensentaal komt een en ander erop neer dat de ondertekenaars van de brief de directeur van de belastingen vragen artikel 131 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen buiten werking te stellen. Dat artikel legt de belastingvrije sommen vast. Zij vragen met andere woorden dat zij als gehuwden dezelfde belastingvermindering krijgen als een alleenstaande.

Als de directeur het daar niet mee eens is --wat meer dan waarschijnlijk is -- vragen de ondertekenaars van de modelbrief ,,het verzoek tot ambtshalve ontheffing in beraad te houden tot na de uitspraak van het Arbitragehof''.

Maar dat lijkt een wat al te simplistische manier om de wettelijke termijn van drie jaar te omzeilen. Artikel 376, paragraaf 3, 2°van het Wetboek Inkomstenbelastingen bepaalt immers dat ontheffing van ambtswege kan gevraagd worden voor zover er een ,,tot die vermindering aanleiding gevend feit'' is dat door de administratie zelf werd vastgesteld of door de belastingplichtige (...) binnen de drie jaar wordt gemeld.

Als het Arbitragehof dit jaar geen uitspraak doet, is het maar de vraag naar welk ,,feit'' de ondertekenaars van de modelbrief refereren. De prejudiciële vraag van de Leuvense rechtbank aan het Arbitragehof is weliswaar een ,,feit'', maar een dat zeker niet zal volstaan om de fiscus te vermurwen tot een hogere aftrek voor gehuwden.

Het vakblad Fiscoloog merkt terecht op dat het ,,feit'' dat de gehuwden zich gediscrimineerd voelen (ten opzichte van de ongehuwd samenwonenden), op zich ook niet voldoende weegt en dat alleen een uitspraak van het Arbitragehof voor een objectief vaststelbaar ,,feit'' kan zorgen. Als het Hof tenminste inderdaad vindt dat er sprake is van discriminatie.

Wie voordien al ambtshalve ontheffing vraagt omdat hij/zij zich gediscrimineerd ,,voelt'', riskeert daarom dat zijn/haar aanvraag ,,onontvankelijk'' wordt verklaard, precies bij gebrek aan het door artikel 376 vereiste ,,feit'' dat aanleiding kan geven tot ontheffing.

Ook daarom is het dus van belang zo lang mogelijk te wachten. Als de uitspraak van het Arbitragehof er voor het einde van het jaar komt en bovendien positief is voor de gehuwden, kan in een aanvraag tot ontheffing gerefereerd worden naar die uitspraak die dan een ,,feit'' is geworden.

Als de uitspraak van het Arbitragehof niet op tijd komt, kan de modelbrief nog steeds verstuurd worden omdat je toch niets te verliezen hebt. Maar hoop best niet te veel.

Voor het aanslagjaar 2000 (inkomsten 1999) liggen de zaken anders. Niet alleen loopt de termijn van drie jaar voor een aanvraag tot ontheffing van ambtswege tot 31 december 2002, maar bovendien kan tegen die aanslag nog rechtstreeks bezwaar worden ingediend.

De termijn voor een bezwaarschrift werd onlangs weliswaar ingekort tot drie maanden, te tellen vanaf de datum van verzending van het aanslagformulier (de afrekening), maar de meeste belastingplichtigen hebben dat formulier pas de jongste weken ontvangen en hebben dus nog heel even de tijd.

Voor zo'n bezwaarschrift moet wettelijk niet naar een ,,feit'' gerefereerd worden. Het volstaat dat iemand zich gediscrimineerd voelt om een bezwaarschrift te kunnen indienen. Dat is overigens precies wat Bart Coopman twee jaar geleden deed. Als procedure veel zinniger, maar je moet er wel iets meer voor doen en het is iets minder vrijblijvend.

Als het de komende weken massaal bezwaarschriften regent bij de fiscus, is het volgens Fiscoloog lang niet zeker dat iedereen een individueel antwoord zal krijgen. Regeringscommisaris Alain Zenner stelt immers een wetswijziging voor waardoor de fiscus in het Staatsblad een bericht kan plaatsen dat dan geldt als ,,globaal administratief antwoord'' op ,,gegroepeerde bezwaren die betrekking hebben op hetzelfde onderwerp''.