BRUSSEL -- Het startbanenplan van minister Onkelinx, beter bekend als het Rosetta-plan, heeft na een jaar 31.000 Vlaamse jongeren aan (tijdelijk) werk geholpen. Het succes is het grootste bij laaggeschoolde jongeren.

Dat blijkt uit een studie door het Steunpunt Werkgelegenheid, Arbeid en Vorming (WAV), uit Leuven. De studie is gebaseerd op cijfers van de Vlaamse bemiddelings- en opleidingsdienst VDAB.

Tussen 1 april 2000, startdatum van het Rosetta-plan, en 31 maart 2001 telde Vlaanderen 174.500 werklozen jonger dan 30 jaar. Het gaat om een totaalcijfer, waarbij ook jongeren zijn meegeteld die in die periode welgeteld één dag werkloos waren. Van die 174.500 vonden er 118.000 een baan. Voor ruim 31.000 jongeren, of 26,5 %, ging het om een startbaan.

De Vlaamse bedrijven mochten voor het invullen van hun Rosetta-quotum putten uit alle Vlaamse werkzoekenden jonger dan 30 jaar, dus niet alleen uit schoolverlaters of laaggeschoolden (zoals het oorspronkelijke doel was van minister Onkelinx). Toch toont de WAV-studie aan dat het succes van de verplichte startbanen het grootste is voor de groep van laaggeschoolde min 25-jarigen: een op de drie komt aan de bak dankzij het Rosetta-plan.

Maar ook de midden- en hogergeschoolde jongeren, die zes maanden nadat ze afstudeerden nog altijd geen werk hadden gevonden of slechts tijdelijk hebben gewerkt, krijgen dankzij Rosetta een nieuwe kans: 24,5 % van hen komt in een startbaan terecht. De echte schoolverlaters scoren heel wat lager met 20,6 %.

Jongeren uit de iets oudere leeftijdsgroep -- tussen 25 en 30 jaar -- vinden makkelijker zelf werk, ook zonder het systeem van startbanen, zegt het WAV-rapport.

Deze cijfers schijnen de (vooral Vlaamse) kritiek op het Rosetta-plan te ondermijnen. Vlaamse werkgevers (en politici) hebben de verplichte startbanen -- 3 % van het personeelsbestand voor bedrijven met meer dan 100 werknemers -- altijd als iets overbodigs betiteld, verwijzend naar het grote reguliere jobaanbod in Vlaanderen en de beperkte groep jonge werklozen.

Het succes van de Rosetta-banen zou dus kunnen aantonen dat er toch nood was aan de formule. Maar van een bewijs is geen sprake. Het hoge aantal Rosetta-banen bewijst niet dat de jongeren die nu een tijdelijke startbaan hebben gekregen, geen echte baan hadden kunnen vinden. Veel bedrijven hebben hun vacature-aanbod ongetwijfeld aangepast aan de Rosetta-verplichting. In die zin kan er sprake zijn van een vervanging van echte jobs door Rosetta-jobs.

In ieder geval wil de Vlaamse minister van Werkgelegenheid, Renaat Landuyt, dat de formule van de startbanen wordt aangepast. Landuyt lanceerde in zijn 1 mei-toespraak de idee om het stelsel open te stellen voor bedrijven die bij vacatures voorrang geven aan interne promotie van personeel en de vrijgekomen functie aan een laaggeschoolde werkloze bezorgen. Het opleidingsbeleid in Vlaanderen moet op de creatie van dergelijke wissel-banen afgestemd worden, meent Landuyt (DS 30 april).

De Unie van Zelfstandige Ondernemers (Unizo) is het daar niet mee eens. Volgens Kris Peeters van Unizo ,,kan zo'n doorschuifoperatie van personeel alleen in grote bedrijven. De organisatiestructuur van kmo's met 5 of 10 werknemers maakt dat onmogelijk. Landuyt wil de Vlaamse kmo's toch niet buiten het opleidingsbeleid houden, hoop ik.''

Bovendien wacht Unizo met ongeduld op de invoering van opleidingscheques, ,,een formule die wel kan werken in de kmo's''. De Vlaamse regering en de sociale partners hebben daarover begin dit jaar een akkoord gesloten, maar de uitwerking ervan in wetteksten heeft vertraging opgelopen.