BRUSSEL -- Stel u even voor dat Microsoft niet een Amerikaans bedrijf was, maar Frans, Duits, Japans of van welke andere nationaliteit ook. Wedden dat dan de autoriteiten van het betrokken land alles zouden doen om de positie van Microsoft zo sterk mogelijk te houden? In de VS zien we dat de minister van Justitie de veroordeling van Microsoft toejuicht.

Amerika is op zijn sterkst wanneer het zijn eigen kampioenen en iconen durft aanvallen. Het proces tegen Microsoft is mogelijk omdat er niet onmiddellijk een buitenlandse concurrent op de loer ligt. Vliegtuigbouwer Boeing is op zijn terrein allicht even dominant in de VS, maar heeft wereldwijd af te rekenen met een geduchte concurrent als Airbus. Ook de auto-industrie kon in de jaren '80 op veel begrip rekenen van de autoriteiten in de concurrentiestrijd met Japan. Met Microsoft spelen de Amerikanen weer eens thuis.

Zestien jaar nadat een magistraat het oppermachtige telefoniebedrijf AT&T liet opsplitsen in zeven delen, de zogeheten Baby Bells , denkt een andere rechter er aan om hèt industriële succesverhaal van de jongste decennia, Microsoft, aan te vallen. De redenering is twee keer dezelfde: het betrokken bedrijf is te machtig geworden, domineert de markt en geeft potentiële concurrenten geen kans.

Dat de vrije markt in zich de kiemen draagt van haar eigen ondergang omdat de groten de kleintjes opslorpen, leerden de Amerikanen al bij de aanleg van de spoorwegen naar het Wilde Westen in het midden van de 19de eeuw. Uiteindelijk dreigde één spoorwegbaron te beslissen over de ontsluiting van het Westen. Wil de vrije markt blijven bestaan, dan moet er een gezag zijn dat de spelregels kan afdwingen. De Amerikaanse antitrustwetgeving kwam tot stand.

De meest bekende gevallen waarbij de rechter in de VS een bedrijf verplichtte zichzelf op te splitsen, waren het al genoemde AT&T, in 1984, en oliebedrijf Standard Oil, in 1911, van de legendarische John D. Rockefeller. Net als Bill Gates nu, besteedde Rockefeller in zijn tijd een deel van zijn fortuin aan goede werken. Maar net als nu kon dat de rechter destijds niet vermurwen.

Opmerkelijk is dat de nieuwe bedrijven die uit de monopolisten voortkwamen, het lang niet slecht deden. Uit Standard Oil kwamen de Seven Sisters , met namen als Exxon, Mobil, Chevron en Pennzoil. Wie in 1911 een aandeel Exxon van 298 dollar had en dat al die jaren behield en de dividenden opnieuw investeerde, zit nu op een potje van 9,7 miljoen dollar, rekende het Amerikaanse magazine Forbes Global uit. Dat komt neer op een jaarlijkse return van 12,5 procent, voor Exxon alleen.

Ook bij de Baby Bells werden de aandeelhouders er niet slechter van. Allicht kunnen die voorbeelden de aandeelhouders van Microsoft, eens van de eerste schrik bekomen, geruststellen. Forbes Global haalt trouwens ook een tegenvoorbeeld aan: IBM. De computerreus IBM doorstond in de jaren '70 ongeschonden een antitrustonderzoek, maar presteert sindsdien eerder middelmatig. De voorbeelden zouden niet misstaan in het hoofdstuk ,,Monopolies en vrije concurrentie tegen elkaar afgewogen'' van een handboek economie.

Waarmee niet gezegd is dat de strijd om de vrije concurrentie ooit verworven is. Exxon en Mobil bijvoorbeeld, zijn ondertussen alweer gefuseerd. De liberalisering van de markten, de revolutie in de telecommunicatie en de oplopende kosten voor onderzoek en ontwikkeling hebben in zowat alle sectoren van de economie een concentratiegolf op gang gebracht, aangewakkerd door stijgende beurskoersen. Sommigen vrezen dat er sprake is van een zeepbel die vroeg of laat moet uiteenspatten.

Het is dan ook geen toeval dat de Europese Unie zich spiegelde aan het Amerikaanse voorbeeld en bij de eenmaking van haar markt eveneens een vrij strikte wetgeving uitwerkte voor de controle op de naleving van de vrije concurrentie. De bevoegdheid daartoe ligt bij de Europese Commissie, die geacht wordt het minst gevoelig te zijn voor nationale invloeden en het best in staat moet zijn Franse, Duitse, Britse of Italiaanse bedrijven op gelijke voet te behandelen.