Het globale Belgische land- en tuinbouwinkomen lag in 2001 6,5 procent hoger dan het jaar voordien. Uitgedrukt per voltijds tewerkgestelde arbeidskracht was er een stijging met 9,2 procent. Dat blijkt uit berekeningen van de Boerenbond die gisteren in het tijdschrift Boer en Tuinder werden gepubliceerd. Het is na het catastrofale jaar 1999 het tweede opeenvolgende jaar dat het inkomen stijgt.

De omzet van de land- en tuinbouw in 2001 wordt geraamd op 7,04 miljard euro, een toename met 3,5 procent. De uitgaven (plant- en veevoeding, zaai- en pootgoed, energie, diensten...) stegen ook met 4,4 procent tot 4,49 miljard euro. Na verrekening van de afschrijvingen, subsidies, belastingen, pachten en intresten op bedrijfskapitaal blijft er 1,67 miljard euro over, een stijging met 6,5 procent. Door de daling van het aantal tewerkgestelden met 2,4 procent is er per voltijdse kracht een inkomensstijging met 9,2 procent.

De evolutie van de omzet is echter heel verschillend naargelang de sectoren of specifieke weersomstandigheden waarmee de individuele boer geconfronteerd werd. In belangrijke sectoren zoals graan, aardappelen, varkens, pluimvee en melk deed zich een prijsherstel voor. Voor de tomaten was het geen goed jaar. De zwaarste klappen vielen in de rundvleessector waar de BSE- en MKZ-crisis aanleiding gaven tot een daling van het consumentenvertrouwen en ineenstorting van de prijzen. (belga)