Bij alle drukte om de omschakeling van frank naar euro zou je bijna vergeten dat de euro eigenlijk al twee jaar een feit is. Sinds 1 januari 1999 zijn de Belgisch-Luxemburgse frank, de Nederlandse gulden, de Franse franc, de Duitse mark, de Finse mark, de Ierse punt, de Italiaanse lire, de Oostenrijkse shilling, de Spaanse peseta en de Portugese escudo nog louter niet-decimale uitdrukkingen van één en dezelfde munt, de euro. Maar voor de bekroning, de vervanging van de nationale bankbiljetten en muntstukken, is het nog wachten tot 1 januari 2002.

Die drie jaar tussen de juridische en feitelijke invoering van de euro is officieel nodig om de munten te slaan en de biljetten te drukken. Hoewel dat werk ongetwijfeld niet te onderschatten is, blijft het toch moeilijk aan te nemen dat dit echt zo lang moest duren. Het is opmerkelijk dat geen mens zich afvraagt of de Grieken tegen begin 2002 zullen klaar zijn, hoewel hun toetreding tot de eurozone pas vorig jaar is goedgekeurd. Kwatongen zien in die lange tussentijd vooral een uiting van bezorgdheid voor het comfort van directie en personeel bij de verschillende centrale banken en Munten.

Andere reden voor een overgangsperiode van drie jaar was dat de bevolking op die manier ruimschoots de tijd kreeg zich aan te passen aan de nieuwe munt. Dat opzet is compleet mislukt. Zolang de euro niet tastbaar is, blijft die munt voor de overgrote meerderheid van de bevolking een ver-van-mijn-bed-show. De ,,schok'' die men had willen vermijden met een bruuske invoering, komt er toch, op 1 januari 2002.

Minder uitgesproken, maar zeker even reëel waren in december 1995, toen de Europese staats- en regeringsleiders de kalender voor de euro vastlegden, de politieke motieven voor een lange overgangsperiode. Door het psychologisch belangrijke moment van de materiële invoering van de euro uit te stellen tot 2002, hoopten ze heimelijk dat tegen dan de Britten ook zouden toegetreden zijn. Maar Tony Blair, die het jaar daarop premier werd, heeft het niet voor elkaar gekregen en de kwestie verdeelt Groot-Brittannië grondig. Alleen Griekenland komt erbij vanaf dit jaar. Een klein wonder, ongetwijfeld, maar niet het wonder dat de veertien andere staats- en regeringsleiders van de Europese Unie in 1995 op het oog hadden.

Je wil onze betalende artikels lezen maar nog geen abonnement nemen? Meld je aan en proef gratis van  plus-artikels.

Lees gratis ›

Geen betaalgegevens nodig