De maatschappij veroudert snel en de trend naar vervroegde pensionering zou wel eens onbetaalbaar kunnen zijn, zegt Martin Wolf

De melancholische Jacques in As you like it van Shakespeare had geen hoge dunk van de gepensioneerden. Zijn rechter is een Pantalone. Volgens het woordenboek is een Pantalone ,,een toneelfiguur uit de commedia dell'arte, te weten de rijke, enigszins dwaze oude heer''. Naar verluidt komt de benaming van San Pantalone, een Venetiaanse heilige.

Shakespeare zelf stierf in 1616. Hij was toen 52 jaar. Was hij een Pantalone of pantalon? Misschien niet, maar hij had zijn laatste grote stuk, The tempest, vijf jaar eerder afgewerkt en hij was helemaal niet jong meer volgens de normen van zijn tijd. Zelfs in het laatste decennium van de negentiende eeuw bedroeg de levensverwachting voor mannen niet meer dan 44 jaar in Engeland en Wales, dertig jaar minder dan vandaag.

Die verbetering is gedeeltelijk te danken aan de daling van de sterfte bij kleine kinderen. Maar de levensverwachting steeg voor alle leeftijden. Voor mannen van 65 jaar steeg de levensverwachting van 10,3 jaar in de jaren '80 tot 14,2 jaar in de jaren '90. Voor vrouwen was die stijging nog groter, van 11,3 jaar tot 17,9 jaar.

Maar elke medaille heeft een keerzijde. Velen beweren dat de veroudering van de maatschappij een onbetaalbare last is. Wat hen afschrikt, is niet enkel de stijging van de levensverwachting, maar de kleiner wordende groep jongeren. Tussen 1980 en 1997 daalde het geboortecijfer van 15 tot 12 per 1.000 in landen met hoge inkomens. In sommige landen is het geboortecijfer nog veel lager: 10 per 1.000 in Duitsland en Japan en 9 per 1.000 in Italië en Spanje. Het Amerikaanse bureau voor volkstellingen voorspelt dat de bevolking van Italië zal dalen van 57 miljoen nu tot 38 miljoen in 2050, als de huidige trend aanhoudt.

De combinatie van een stijgende levensverwachting en een dalend geboortecijfer doet de maatschappij snel verouderen. Vandaag vertegenwoordigen mensen tussen 60 en 74 jaar 13 procent van de bevolking van landen met hoge inkomens. Volgens het Amerikaanse bureau voor volkstellingen zal dat 18 procent zijn tegen 2025. Mensen tussen 55 en 74 jaar vormden in 1998 19 procent van het totaal en verwacht wordt dat die groep 25 procent zal uitmaken tegen 2025.

Peter Peterson, een investeringsbankier, geeft aan dat er in 1960 6,8 actieve volwassenen waren voor elke 65-plusser in de lidstaten van de Oeso. Vandaag is dat aantal 4,5. Tegen 2030 zal dat 2,5 zijn. (*) Tussen 1995 en 2050 zal het aantal belastingbetalers per gepensioneerde dalen van 4,2 tot 2,3 in de VS, van 2,7 tot 2,1 in het VK, van 2,5 tot 1,4 in Frankrijk, van 2,3 tot 1,2 in Duitsland en van 1,3 tot een angstwekkende laag 0,7 in Italië.

Hoe kunnen al die gepensioneerden onderhouden worden in een stijl die ze verwachten? Dat zal een grote druk leggen op de overheidsfinanciën. Als het beleid niet verandert, verwacht de Oeso dat de primaire begrotingsbalansen (balansen voor betalingen van intresten) in de meeste lidstaten zullen ,,verminderen met vijf procent van het bbp over de volgende 30 jaar en de ratio's van de netto overheidsschuld tegenover het bbp zullen in de meeste landen verminderen met meestal 100 procent of meer van het bbp''. (**) Dat kan en mag niet gebeuren.

Enkele landen hebben blijkbaar de val ontweken door privé-pensioenplannen te ontwikkelen. In de VS, Groot-Brittannië, Nederland en Zwitserland waren de activa van de privé-pensioenfondsen in 1996 respectievelijk 58 procent, 75 procent, 87 procent en 117 procent van het bruto binnenlands product. In andere landen waren de privé-fondsen verwaarloosbaar: 3 procent van het bbp in Italië en 6 procent in Frankrijk en Duitsland.

Maar privé-fondsen brengen geen verandering in het systeem van pensionering. De gepensioneerden moeten nog altijd leven op wat de actieven produceren. Overheidsfondsen maken de ouderen afhankelijk van de toekomstige inkomsten uit belasting. Privé-fondsen maken hen afhankelijk van het rendement op kapitaal.

De huidige hoge prijzen van aandelen en obligaties verlagen jammerlijk het toekomstige rendement. Enkel en alleen om die reden kan dat rendement bijna de helft lager liggen dan het normale gemiddelde. Dus bieden de grote privé-fondsen geen zekerheid op een voorspoedig pensioen voor de horden pantalons. Het betekent misschien enkel dat de beslissing om de pensioenen aan te passen niet wordt genomen door politici, maar door de markt of door bedrijven.

Het is absurd, maar officiële aanmoedigingen om vervroegd met pensioen te gaan, maken het probleem onnodig zwaar. Tussen 1960 en 1996 steeg de periode waarin mensen in vijftien Oeso-landen met pensioen zijn, van gemiddeld twee tot elf jaar. Ongeveer een derde van die verandering werd veroorzaakt door een jongere pensioenleeftijd en niet door een hogere levensverwachting. In 1998 was slechts 49 procent van de Europese mannen tussen 55 en 64 jaar aan het werk. Bij Amerikaanse mannen was dat 66 procent. Van de Europese vrouwen tussen 55 en 64 jaar was 27 procent nog aan de slag, tegenover 50 procent in de VS.

Het is goed dat mensen langer en gezonder leven. Het is goed dat ze zwaar werk kunnen inruilen voor vrijetijdsbestedingen. Maar hun keuzes worden op de helling gezet wanneer regeringen subsidies geven voor vervroegde pensionering in een kortzichtige poging om de werkloosheidscijfers te verbeteren. Zelfs wanneer er geen expliciete subsidies zijn voor vervroegde pensionering, bieden pensioenplannen aan de gepensioneerden vaak geen of weinig bijkomend pensioen in ruil voor extra jaren werk.

Wat hun keuzes ook op de helling zet, zijn de sociale uitkeringen. De gezondste generatie oudere werknemers is blijkbaar vaak de meest ongeschikte. Dat valt af te leiden uit het stijgend aantal personen die een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid genieten. In sommige Europese landen wordt een derde van de groep van 55- tot 64-jarigen beschouwd als arbeidsongeschikt.

Momenteel is er in de landen met hoge inkomens een groeiend aandeel van oudere mensen die steeds vroeger met pensioen gaan en hopen goed en steeds langer te leven op de inspanningen van hun kinderen. Bij velen daalt de levensstandaard zelfs niet tijdens hun pensioen.

Het is evident wat er moet gebeuren: schrap de aanmoedigingen om vervroegd met pensioen te gaan; verhoog de officiële pensioenleeftijden volgens de stijgende levensverwachting; moedig privé-spaarplannen aan, en niet enkel voor pensioenen; maak de arbeidsmarkt flexibeler om de oudere werknemers te absorberen tegen lagere lonen; en moedig opleidingen aan. Het klinkt eenvoudig, maar voor vele landen die verankerd zitten in belachelijk genereuze en absurd strakke systemen van overheidspensioenen, is het misschien al te laat om dergelijke hervormingen door te voeren.

Als die landen dan opgezadeld zitten met een horde lastige pantalons, dan ligt de fout bij henzelf.

© The Financial Times