De werkloosheid in Vlaanderen daalt. Met forse tred, zodat de werkloosheidscijfers van 1999 de laagste zijn sinds 1978, meldt de Vlaamse overheid fier. Maar de officiële werkloosheidscijfers geven hoegenaamd geen accuraat beeld van de echte werkloosheid in Vlaanderen.

In werkelijkheid bestaat dé werkloosheid niet, en dé werkloze evenmin. De werkloosheid is als een lappendeken, een bijeenraapsel van vele soorten werklozen en uitkeringstrekkers. Van werkzoekenden en niet-werkzoekenden. Van werkenden en niet-werkenden. Van vrijgestelden en geactiveerden. Volgens de criteria van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA) en de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling (VDAB) gaat het om volgende vier groepen:

  • Niet-werkende werkzoekenden:
  • Met als belangrijkste groep de uitkeringsgerechtigde volledig werklozen , die lange tijd de enige norm zijn geweest bij het bekendmaken van de maandelijkse werkloosheidscijfers.

    In Vlaanderen zijn er nog zo'n 130.000 volledig werklozen, of zo'n 34 procent van het federale cijfer (380.000). Volgens deze berekening is de werkloosheid vooral een Waals-Brusselse zaak. Maar die verhouding was in een nog niet zo ver verleden helemaal anders. In 1973 telde Vlaanderen 49.000 volledig werklozen, of 54 procent van het Belgische totaal van 92.000; toen volgde de werkloosheid bijna perfect de bevolkingsverdeling.

    Ter herinnering: de werkloosheid in Vlaanderen was het hoogst in 1984, met 280.000 volledig werklozen.

    In 1985 wordt voor het eerst gewag gemaakt van de 'niet-werkende werkzoekenden'. En sinds enkele jaren is deze verruimde groep werklozen dé norm geworden voor de maandelijkse cijferdans. Het gaat naast de volledig werklozen ook om schoolverlaters zonder baan (20.000) en om geschorste werklozen ; die laatsten hebben weliswaar (tijdelijk) geen uitkering, maar blijven ingeschreven als werkzoekenden.

    Deze verruimde groep geeft voor Vlaanderen het cijfer van 175.000 werklozen, of een werkloosheidsgraad van 7,3 procent. Hiermee wordt de verhouding aangegeven tussen het aantal werklozen en de 'tegen werkloosheid verzekerde bevolking'. Voor de Vlaamse mannen bedraagt de score 5,2 procent, voor de vrouwen 10 procent (november 1999). Ter vergelijking: in Wallonië bedraagt de werkloosheid 20,8 procent en in Brussel 21,1. Het laagste cijfer is dat van de mannen in Tielt (2,1 procent), het hoogste dat van de vrouwen in Bergen (33 procent).

  • Werkenden met uitkering:
  • Het gaat om mensen die aan het werk zijn, maar tegelijk ingeschreven zijn als werkzoekenden en bijgevolg een RVA-uitkering krijgen.

    De grootste groep bestaat uit deeltijders . Van de 550.000 deeltijdse werknemers in ons land (van wie 350.000 in Vlaanderen) genieten er 26.000 een aanvullende RVA-uitkering. In 1990 waren er dat liefst 204.000, omdat ze als 'onvrijwillig deeltijds werkenden' werden beschouwd, op zoek naar een voltijdse baan. De eerste regering-Dehaene heeft hieraan een einde gemaakt, omdat een deeltijdse baan steeds meer een ,volwaardige en gewenste' baan was geworden en geen surrogaat meer voor een voltijdse. Deze categorie dooft stilaan uit.

    Daarnaast zijn er de tijdelijk werklozen (25.000 in Vlaanderen); het gaat om werknemers van wie de arbeidsovereenkomst tijdelijk wordt geschorst wegens slecht weer (bijvoorbeeld in de bouwsector) of economische werkloosheid. Voor veel bedrijven is dit de ideale formule om flexibel -- en met overheidsgeld -- dalen in de productie te kunnen opvangen.

    Voorts telt Vlaanderen 20.000 PWA'ers , bijklussende werklozen. Zij zijn vrijgesteld van het zoeken naar een echte baan, net als de stadswachten, de deeltijdse loopbaanonderbrekers en de werklozen in beroepsopleiding.

  • Niet-werkende niet-werkzoekenden:
  • Het gaat om drie grote groepen van RVA-uitkeringstrekkers die niet (meer) in de werkloosheidscijfers worden opgenomen.

    In de eerste plaats zijn er de oudere werklozen . Het gaat om 50-plussers zonder baan die niet langer op zoek moeten naar werk, tot aan hun pensioen een verhoogde uitkering krijgen en bijgevolg afgeschreven zijn voor de arbeidsmarkt. Tot in 1985 werden deze 'ouderen' wel in de werkloosheidstabellen opgenomen. Maar voor de bewindslui was het tijd om de statistieken op te smukken en daarom werd gewoonweg een aparte categorie ingevoerd.

    In 1984 waren er dus nog geen oudere werklozen, eind 1985 waren ze al met 33.000 en in 1995 met 65.000. Een verdere versoepeling van de toetredingsvoorwaarden door de regering Dehaene-II deed deze (beschermde) groep in snel tempo aangroeien tot 142.000 (federaal), van wie 82.000 in Vlaanderen. Hier is er geen sprake van een dalende tendens. En hun uitstoot uit de cijfers maakt vergelijkingen tussen de werkloosheidscijfers van nu en het jaar 1978 erg onzinnig.

    Daarnaast zijn er de bruggepensioneerden , nog zo'n vluchtheuvel voor bedrijven met overtollig personeel. In 1976 waren ze met amper 7.000, in 1990 met liefst 140.000. Nu zijn het er federaal 120.000, van wie 78.000 in Vlaanderen. En ook de voltijdse loopbaanonderbrekers krijgen een RVA-uitkering. In Vlaanderen zijn ze met 56.000 (op 82.000 federaal). Vijftien jaar geleden bestond deze groep 'werklozen' nog niet, nu is ze een van de sterkst groeiende. Al die ouderen en loopbaanonderbrekers maken dat ''werkloosheid'' ook een Vlaamse zaak is.

    Nauwelijks of niet gekend zijn de werklozen die als vrijwilliger werken voor humanitaire acties in het buitenland, of de vrijgestelden 'wegens moeilijkheden op sociaal of familiaal vlak'. Die laatste groep bestaat uit 200 mannen en 9.000 vrouwen. Zij staan niet ingeschreven als werkzoekenden.

  • Geactiveerde werklozen:
  • Het gaat om zo'n 4.000 werkende niet-werkzoekenden die opgenomen zijn in tewerkstellingsprojecten. Hun uitkering is onderdeel van hun loon. Het gaat in het jargon van de banenplannen bijvoorbeeld om eerste werkervaringscontracten, doorstromingsprogramma's en herinschakelingsprojecten.

    Al die werklozen kostten de sociale zekerheid in 1999 241 miljard frank, 3 miljard meer dan in 1998. En in 1985 bijvoorbeeld ging het om 157 miljard frank. Dalende werkloosheidscijfers zijn dus niet gelijk aan dalende werkloosheidsuitgaven.