Bedrijven kunnen nieuwe investeringskansen ontdekken die de moeite lonen, als ze een manier vinden om de armen te laten deelnemen aan de mondiale economie, zegt Peter Knight.

Verdien geld aan de arme mensen en laat de globalisering werken in het voordeel van de hele mensheid. Dat is de boodschap van de Verenigde Naties, die willen dat de bedrijven het deel van de wereldbevolking dat buiten het economisch systeem leeft (zestig procent), veranderen in consumenten.

Als de mensen die uitgesloten zijn, geen toegang krijgen tot het economisch systeem, dan vreest de VN dat de groeiende kloof tussen arm en rijk de wereldeconomie en haar sociale systemen zal destabiliseren. De grote bedrijven worden aangemaand om hun commercieel model te herbekijken want al te vaak sluit dat model de heel arme mensen uit. Die hebben niet genoeg geld om consumptiegoederen te kopen en ze kunnen geen geld lenen omdat ze beschouwd worden als niet-solvabel.

In plaats van die groep mensen enkel te beschouwen als een risicogroep, moeten bedrijven creatiever zijn en de commerciële mogelijkheden van die mensen inzien. Als ze een manier vinden om hen te voorzien van goederen en diensten, dan kunnen ze winst maken en ook de armen helpen.

Dat is precies wat enkele pionierbedrijven doen. Unilever, de detergenten- en voedingsgigant, heeft enkele van zijn producten in groei-economieën herbekeken om ze goedkoper te maken. Detergenten en shampoo bijvoorbeeld zijn nu verkrijgbaar in kleine zakjes die in India worden verkocht voor slechts een halve roepie. Daardoor kregen de armen toegang tot goede kwaliteitsproducten en maakten de bedrijven winst.

Grameen is een bank in Bangladesh die werd opgericht om de armen te helpen en haar ervaring is dat de armen nauwgezetter hun schulden terugbetalen dan de rijken. Een dergelijke vorm van leningen, voornamelijk gefinancierd door donoren en de overheid, wordt nu zowel in de ontwikkelingslanden als in ontwikkelde landen toegepast.

Jacques Attali, de Franse bankier en voormalige voorzitter van de Oost-Europabank (Berd), heeft PlaNet Finance opgestart. Dat is een internetsite voor verleners van microkrediet. Het idee is om informatie te delen en zo de kostprijs van transacties te verlagen of om veel kleine leningen te bundelen en aan te bieden aan commerciële geldverleners.

Die commerciële geldverschaffers, vooral de banken voor particulieren, laten de armen grotendeels links liggen, zowel in de ontwikkelde als in de ontwikkelingslanden. Dat begint nu te veranderen omdat de financiële instellingen merken dat ze winst kunnen maken als ze de kosten laag houden.

In India bijvoorbeeld biedt Citibank bancaire diensten aan voor mensen in Bangalore die minimum 25 dollar op hun rekening houden. In Zuid-Afrika past de Standard Bank, die vroeger exclusief werkte voor bedrijven en rijken, nu het zogenaamde microbankieren toe voor een snel groeiende groep klanten. Dat is een eenvoudige dienst met weinig kosten.

Nog in Zuid-Afrika past het staatselektriciteitsbedrijf Eskom een systeem toe waarbij klanten betalen naarmate ze de mogelijkheden hebben. Dat systeem helpt het bedrijf in zijn opdracht om elektriciteit op grotere schaal beschikbaar te stellen in het land. Met een innoverend plan, dat samen met Shell tot stand kwam, krijgen afgelegen dorpen zonne-energie aangeboden voor een prijs die niet hoger is dan de prijs van kaarsen of kerosine.

Andere bedrijven werken aan producten zoals waterzuiveringssystemen, koelsystemen en systemen voor gemeenschappelijk gebruik van mobilofoons. Het zijn commerciële oplossingen voor reële noden die zowel praktisch als goedkoop zijn.

In India had Arvind Mills, de op vier na grootste producent van jeans ter wereld, een slim plan. Het ontwikkelde een netwerk van kleine kleermakers om een groot aandeel van de jeansmarkt te veroveren. Het verkoopt pakketten waarmee de kleermaker jeansbroeken kan assembleren aan een kostprijs van zes dollar, terwijl een jeansbroek van een bekend merk snel 60 dollar kost.

Zij die gekant zijn tegen het gebruik van de markt om sociale verandering teweeg te brengen, zijn ontzet over het idee om het consumentisme te gebruiken in de strijd tegen armoede. Ze stellen dat als we het arme Zuiden op dezelfde koers zetten als het ontwikkelde Noorden, de economische problemen en milieuproblemen in de wereld alleen maar zullen toenemen.

Vele bedrijven delen hun scepticisme maar dan wel om andere redenen. Het lijkt erop dat de meeste zakenmensen niet verder denken dan het traditionele model waarbij er jacht wordt gemaakt op de grote winstmarges en waarbij andere bedrijven die vaak geen scrupules hebben, de arme mensen voor zich mogen houden.

Ik begrijp de argumenten van beide sceptici, maar ze hebben het mis. Zij die nonchalant het idee verwerpen om het consumentisme te verspreiden en, waarschijnlijk, eerder voorstander zijn van een vorm van ontwikkelingshulp, hebben duidelijk nog nooit de sociale uitsluiting ervaren die gepaard gaat met economisch wanbeheer en corruptie.

Wat ook verkeerd is, is het idee dat de bevrijding van de armen een negatief effect zal hebben op het milieu. De basisgedachte is dat arme mensen weinig te verliezen hebben en zonder problemen hun directe omgeving verwoesten als dat betekent dat ze die dag iets te eten zullen hebben.

Het is ook zo dat het grootste deel van de verwoestingen in het regenwoud, bijvoorbeeld, niet gebeurt door grote veeboeren maar door kleine boeren die akkerland vrijmaken en brandhout verzamelen. Rijkere mensen denken veel meer op langere termijn en hebben over het algemeen meer waardering voor hun leefomgeving. Ze doen daarom meer om het milieu te beschermen.

De verpakking van consumptieproducten in steeds kleinere eenheden stelt ook problemen. Dat systeem verhoogt wel de beschikbaarheid van nuttige producten maar de verpakking verhoogt de afvalproblemen.

Maar die problemen moeten toch opgelost kunnen worden als de bedrijven aandacht besteden aan de volledige levenscyclus van hun producten en niet enkel aan de meer rendabele delen van die cyclus.

Er heerst ook bezorgdheid over het feit dat het mondiaal financieel systeem intrinsiek onstabiel is. Denk maar aan de financiële crisissen van Mexico en Azië.

Als we de armen in een systeem brengen dat wordt gezien als een disfunctioneel economisch systeem, dan stellen we volgens sommigen de mensen die we net willen helpen bloot aan een nog groter risico.

Dat kan misschien kloppen voor die enkelingen die in perfecte harmonie leven met de natuur, maar het betekent niet veel voor de één miljard mensen die proberen te overleven met minder dan een dollar per dag. Zij zullen met plezier het risico nemen als ze uitzicht hebben op een beter leven.

Maar de belangrijkste kritiek is dat de bedrijven niet in staat zijn op een creatieve manier na te denken over hun sociale verantwoordelijkheid. Zo waren er bijvoorbeeld overheidsinstellingen en overheidsbanken nodig om aan te tonen welke voordelen en mogelijkheden het microkrediet biedt.

Veel hangt nu af van de manier waarop de bedrijven hun verklaringen over sociale verantwoordelijkheid in de praktijk brengen. De armen zijn overal ter wereld altijd al het doelwit van uitbuiting geweest.

Laten we hopen dat de bedrijven uit eigenbelang en om aan hun invloedrijke klanten in de ontwikkelde landen hun sociale verantwoordelijkheid te bewijzen, niet enkel verantwoordelijk maar ook creatief zullen zijn in hun houding tegenover de armen.

(De auteur is directeur van Environmental Context, een consultancybureau in Londen dat zich specialiseert in duurzame ontwikkeling en communicatie.)