BRUSSEL -- In de tien oostelijke landen die kandidaat zijn om tot de Europese Unie toe te treden, gingen tussen 1990 en 2000 netto nagenoeg tien miljoen banen verloren. Op een conferentie met experts uit de diverse landen in Baden, Oostenrijk, georganiseerd door onder meer de Bertelsmann-stichting, werd de omvang van de ravage opgemeten.

In 2000 hadden de kandidaat-lidstaten van Centraal- en Oost-Europa (de Tsjechische Republiek, Hongarije, Polen, Slovakije, Slovenië, Bulgarije, Roemenië, Estland, Letland en Litouwen) nog 104,4 miljoen inwoners, ongeveer 1,7 miljoen minder dan tien jaar voordien. De scherpste bevolkingsdaling trad op in Estland (13 procent), Letland (11 procent) en Bulgarije (6 procent). De belangrijkste reden voor de daling was de uitwijking, vooral in de beginjaren van de transitie.

In alle landen daalden de activiteitsgraad en de werkgelegenheid. In Hongarije was de activiteitsgraad (de beroepsbevolking in procent van de totale bevolking) in 1997 bijna 12 procentpunten geringer dan in 1989. Toch ligt hij, behalve in Hongarije, Bulgarije en Polen, nog steeds boven het EU-gemiddelde van 69 procent.

In alle landen behalve Hongarije, Slovenië en Letland daalde de werkgelegenheidsgraad (het aantal werkenden in procent van de bevolking tussen 15 en 64 jaar). Ondanks de versnelling van de economische groei vanaf 2000 was er sindsdien op de arbeidsmarkt weinig verbetering merkbaar. Alleen in Hongarije en Slovenië bleef de werkgelegenheid toenemen.

Acht van de tien landen zagen hun productiviteit in de afgelopen tien jaar verbeteren. De uitzonderingen zijn Litouwen en Letland, waar de werkgelegenheid minder sterk daalde dan de productie.

In de meeste landen trad een verschuiving op van de landbouw en de industrie naar de dienstensector. In Hongarije en Estland daalde de werkgelegenheid in de landbouw met twee derde. Roemenië ging tegen de trend in: de tewerkstelling in de landbouw nam zowel in relatieve als in absolute cijfers toe. 43 procent van de beroepsbevolking is er nu in tewerkgesteld.

De tewerkstelling in de industrie is sinds de implosie van het communisme in 1989 in alle landen gedaald, wat ook normaal is gezien de overtewerkstelling voordien. De scherpste dalingen traden op in Bulgarije en Letland: de industriële tewerkstelling bedroeg daar in 1999 minder dan de helft van wat ze in 1989 was geweest.

Ondanks die reusachtige verliezen aan werkgelegenheid is het aandeel van de industrie in de totale tewerkstelling nog steeds hoger dan in het Westen. In Slovenië, de Tsjechische Republiek en Slovakije bedraagt het nagenoeg 40 procent.

De werkloosheid, die bij het begin van het transitieproces nagenoeg onbestaande was, is een langdurig fenomeen geworden. In 1993 werd een recordpeil bereikt, gevolgd door een lichte afname tot in 1997, niet zozeer dankzij de totstandkoming van nieuwe werkgelegenheid dan wel onder invloed van een grootscheepse uittreding uit de arbeidsmarkt. In 1998 begon de werkloosheid in alle landen, Hongarije en Slovenië uitgezonderd, opnieuw op te lopen.

De werkloosheidspercentages variëren van 8 procent in Letland tot nagenoeg 18 procent in Bulgarije en Slovakije. De vrouwen, de laagst geschoolden en etnische minderheden worden doorgaans het zwaarst getroffen; het aandeel van de langdurig werklozen neemt gestadig toe.

De werkgelegenheid voor vrouwen daalde tijdens de periode 1985-1997 met 40 procent in Hongarije en met 31 procent in Estland. Dit wordt niet noodzakelijk weerspiegeld in de werkloosheidscijfers, aangezien veel vrouwelijke werknemers besloten zich uit de arbeidsmarkt terug te trekken. De werkloosheidsgraad voor vrouwen ligt doorgaans dan ook niet veel hoger dan voor mannen, en in sommige landen zelfs lager.

In de meeste landen ligt de werkloosheidsgraad voor jongeren beneden de vijfentwintig jaar tweemaal zo hoog als de algemene werkloosheidsgraad. In Bulgarije, Slovakije en Polen is een kritieke situatie bereikt: meer dan één jongere op de drie is er werkloos.

Regionaal gezien komt de hoogste werkloosheid voor in de gebieden waar onder het communisme de industriële kernen waren gevestigd. Ze is doorgaans het laagst in de grote steden met een goed ontwikkelde dienstensector, in gebieden met een gediversifieerde industriële structuur, in de toeristische streken en in de buurt van de grens met West-Europese landen. Net zoals in de Europese Unie is de arbeidsmobiliteit laag.

Een opvallende vaststelling is dat de daling van de werkgelegenheid in Centraal- en Oost-Europa veel dramatischer afmetingen aannam dan in de landen van de voormalige Sovjet-Unie. De belangrijkste verklaring daarvoor blijkt te zijn dat een socialer beleid, of althans een beleid met betere bedoelingen, werd gevoerd. Er werd een hogere bodem onder de lonen gelegd, met het gevolg dat de oude ondernemingen zich verplicht zagen de minst productieve arbeidskrachten uit te stoten en dat de werklozen moeilijker aan een nieuwe baan geraakten.

  • Labor, Employment, and Social Policies in the EU Enlargement Process. World Bank, 2002, 406 bladzijden.