Een op hol geslagen kudde wil wel eens onverwachte zwenkingen maken, en rent soms weer helemaal de richting uit vanwaar ze kwam. We weten dat uit de westerns, en uit de observatie van de financiële markten en van de economie. Men zit daar best niet middenin.

Ook dit jaar zullen we de gebruikelijke portie nieuwe ontwikkelingen te verwerken krijgen -- verwachte en onverwachte. Komt de Amerikaanse economie tot stilstand, of vertraagt haar sneltreinvaart alleen maar? Maakt de dollar een duikvlucht en staat de euro weldra weer op zijn koers van twee jaar geleden? Komt er voor de geteisterde technologieaandelen een correctie van de correctie, of was hun koersval de voorbode van nog meer beursellende? Wanneer komt de volgende financiële crisis er aan?

Voorspellingen over dat alles hebben zeer weinig voorspellende waarde. Men zou er de schouders voor ophalen, ware het niet dat het vermoedelijk nog altijd beter is de toekomst geblinddoekt af te tasten dan over helemaal niets te beschikken. Hoe dan ook, er is een onverminderde vraag naar prognoses, en dus wordt ook voor het aanbod gezorgd.

Wat weten we? Dat de wereldeconomie, en ook die van de Verenigde Staten en van Euroland, hun beste jaar sinds lang kenden (maar dat kan snel veranderen). Dat de Amerikaanse groei de afgelopen twee kwartalen beduidend afgezwakt is (maar dat is ook al eerder in deze historisch lange en krachtige expansieperiode gebeurd). Dat de euro zich van zijn dieptepunt heeft losgemaakt en zich hoger hijst (maar dat deed hij ook al enkele maanden geleden). En dat talrijke technologieaandelen met de helft en meer zijn gedaald (maar in sommige gevallen nog op een peil staan dat één of twee jaar geleden als zeer duur werd beschouwd).

Met betrekking tot de economische conjunctuur was de enige zekerheid in het verleden het bestaan van een golfbeweging, van piek naar dal en weer naar piek. Ten minste sinds de Kennedy-administratie, veertig jaar geleden, koestert men naar het einde van elke hoogconjunctuur toe de illusie dat die cyclische beweging overwonnen is. Tot dusver was het niet meer dan dat: een illusie.

Aan de ,,Clinton-boom'', die inmiddels de langste economische expansieperiode uit de Amerikaanse geschiedenis is, moet dus allicht vroeg of laat een einde komen. Met de ervaring van het verleden voor ogen, kan men zeggen dat er een recessie zal op volgen. Volgens de gangbare definities is daarvan sprake wanneer de economie enkele kwartalen na elkaar krimpt. Als het eenmaal zover is, zal de wereldeconomie het geweten hebben, want de Verenigde Staten zorgden de afgelopen jaren voor een aanzienlijk gedeelte van de stijging van de wereldvraag.

Wel kan men de hoop koesteren dat de recessie kortstondig en mild zal zijn. Het is heel goed mogelijk dat de rijpe economieën in het begin van het derde millennium als gevolg van de verschuiving van industriële naar dienstenactiviteiten schokbestendiger zijn geworden. Bovendien voeren zowel de Federal Reserve als de Europese Centrale Bank een monetair beleid dat gericht is op stabiliteit op middellange termijn.

Wanneer in de afgelopen decennia recessies optraden, waren die haast nooit voorspeld. De recessie van 1993 werd geïdentificeerd toen we er middenin zaten. Doorgaans zijn de bewegingen scherper -- de pieken hoger, de dalen dieper -- dan de koffiedikkijkers hadden verwacht. En het is niet omdat er een grote mate van overeenstemming tussen de prognoses is, dat ze accurater zijn.

Opmerkelijk is ook dat er tijdens recessieperioden zo'n veralgemeend pessimisme heerst, alsof het om een blijvende toestand zou gaan. Men stelt dat ook vast bij mensen die beter zouden moeten weten, zoals bedrijfsleiders. Nochtans was het aantal maanden dat de westerse economie de afgelopen veertig jaar in recessie verkeerde, vrij gering. Tegen de massapsychologie is geen kruid gewassen.

Van de wisselkoers van de euro kan men niet veel meer zeggen dan dat ze vermoedelijk ondergewaardeerd is: een Europeaan die naar Amerika reist, zal het leven daar betrekkelijk duur vinden, en een Amerikaan zal vinden dat hij in Europa veel waar voor zijn geld krijgt. Toen we minder dan dertig frank voor een dollar betaalden, gold het omgekeerde.

Dit is uiteraard een zeer wankele basis om uitspraken te doen over het peil waar de euro zich over zes of twaalf maanden zal bevinden. Sinds ten minste drie jaar wordt voorspeld dat de dollar wegens het zeer aanzienlijke externe tekort van de Verenigde Staten omlaag moet. Hij heeft die analyses al die tijd naast zich neergelegd en is tot voor kort onverstoorbaar blijven stijgen.

Er zijn talrijke redenen aangehaald waarom de euro tegenover de dollar daalde en bleef dalen. Sommige van die verklaringen waren zelfs niet bestand tegen een elementaire tegenproef: golden de aangehaalde omstandigheden dan niet begin 1999, toen de euro duur was?

Het heet bijvoorbeeld dat de economie van de eurozone onder gebrek aan dynamisme, een stroef werkende arbeidsmarkt en een te hoge belastingdruk lijdt. Of dat er geen eenheid van visie en van beleid is en de politieke unie vooralsnog een hersenschim blijkt. Was dit alles dan niet zo bij de start van de euro, toen hij op 1,17 dollar noteerde?

Het zal ongetwijfeld waar zijn dat zijn depreciatie mee te wijten was aan de snellere groei en het hogere rentepeil in de Verenigde Staten en aan de kapitaalstroom van Europa naar Amerika, die onder meer te maken heeft met de fusie- en overnamekoorts. Maar dan mag men niet naar de yen kijken, die sterker werd tegenover de euro ondanks de zoveel zwakkere groei van de Japanse economie. En evenmin naar het pond sterling, dat tegenover de euro steeg ondanks een nagenoeg identieke groei. Het is ook de vraag hoeveel weerslag de transatlantische kapitaalstroom heeft als men weet dat veel fusies en overnames betaald worden met eigen aandelen van de overnemer, een vorm van vereffening die moeilijk de wisselkoers kan beïnvloeden.

Hoe nuttig het ook is naar verklaringen te zoeken, daarmee weet men nog niet veel meer over het toekomstige koersverloop. Wisselmarkten behouden zich het recht voor om valuta's een sterk in de tijd variërende koersverhouding te geven, ook al verschuift er weinig in de onderliggende economische gegevens. Ze bezondigen zich zonder schroom aan ,,overshooting'', en het duurt soms lang eer de realiteit weer intreedt. Massapsychologie is opnieuw een belangrijke verklaring.

Zeepbellen herkent men pas met zekerheid achteraf, als ze aan het leeglopen zijn, en de koersontwikkeling van de internet-, telecom- en aanverwante aandelen tot maart jongstleden was er wel degelijk één. Men kan nu wel stellen dat het de grootste creatie en vervolgens vernietiging van waarde was sinds de Japanse vastgoed- en beurszeepbel van de late jaren tachtig.

Opnieuw kunnen voorspellingen niet veel waarde hebben. Men weet niet of er nog meer lucht zal ontsnappen vooraleer het weer tot een normaal koersverloop komt. De krach van oktober 1987 was binnen de twaalf maanden uitgeveegd, maar tussen 1968 en 1981 bleven de belangrijkste beurzen ter plaatse trappelen, wat gezien de hoge inflatie neerkwam op een reële achteruitgang van veertig procent.

Fundamenteel veranderde omstandigheden kunnen hooguit een gedeeltelijke verklaring zijn voor de val van de aandelen van de ,,nieuwe economie'' sinds hun piek van maart. De algemene economische toestand was in de afgelopen negen maanden vermoedelijk niet veel slechter dan in de negen maanden voordien, toen de koersen de stratosfeer inschoten. Ook de renteverhogingen kunnen op zichzelf zo'n verregaande koersval niet rechtvaardigen. Zeker is dat het een klimaat van overspannen verwachtingen was -- de zoveelste uiting van collectieve gekte.

De sceptische, conservatieve belegger heeft daar hooguit in beperkte mate aan meegedaan. Hij weet dat aandelenbezit geleidelijk, over de jaren, wordt opgebouwd met geld dat hij in de nabije toekomst niet nodig heeft, en dat voldoende spreiding geboden is. Hij behaalde in de afgelopen twee decennia uitzonderlijk hoge returns, maar besefte heel goed dat er onvermijdelijk ook perioden van koersdaling zouden komen. Hij deed met de lente in aantocht zijn grijze, defensieve aandelen van de ,,oude economie'' niet halsoverkop van de hand om heel zijn bezit in Nasdaq- en Easdaq-aandelen te stoppen. Voor zo iemand was het beursjaar 2000 geen rampjaar. Jammer voor de anderen.

Je wil onze betalende artikels lezen maar nog geen abonnement nemen? Meld je aan en proef gratis van  plus-artikels.

Lees gratis ›

Geen betaalgegevens nodig