BRUSSEL -- De hervorming van de vennootschapsbelasting leidt niet voor elke belastingplichtige tot een belastingvermindering. De kostprijs van de verlaging van de tarieven wordt niet alleen gerecupereerd door te snoeien in de aftrekposten voor vennootschappen, ook de aandeelhouders zullen moeten bijdragen. Voor hen wordt een nieuwe heffing op liquidatieboni en op de inkoop van eigen aandelen ingevoerd en wel met terugwerkende kracht. Hopelijk heeft de regering ook gedacht aan de praktische en juridische problemen die dit meebrengt.

Wanneer een vennootschap in vereffening gaat en haar vermogen verdeelt onder haar aandeelhouders, dan zijn op deze uitkeringen momenteel geen belastingen verschuldigd voor de aandeelhouders-natuurlijke personen. Enerzijds moet de vennootschap op deze liquidatie-uitkeringen geen roerende voorheffing inhouden. Anderzijds is de aandeelhouder ook niet verplicht om deze inkomsten aan te geven in zijn eigen fiscale aangifte. Een vergelijkbare fiscale regeling geldt bij de inkoop door een vennootschap van haar eigen aandelen.

Deze regimes bevorderen de autofinanciering van vennootschappen. Wanneer een vennootschap ieder jaar haar winsten uitkeert, dan moet op deze uitkeringen telkens een voorheffing van 15 of 25 procent worden ingehouden. Laten de aandeelhouders de winsten in de vennootschap, dan kunnen zij later, bij de vereffening van de vennootschap of bij de inkoop van haar aandelen, de opgespaarde winsten zonder verdere belasting ontvangen.

De regering heeft op 19 april beslist dit stelsel af te schaffen. Alles wat een vennootschap aan haar aandeelhouders uitkeert boven het oorspronkelijk gestorte kapitaal, zal worden beschouwd als een dividend. Dat was vroeger al het geval, maar op dat ,,dividend'' werd geen roerende voorheffing geheven. Dat zal voortaan anders zijn. Op dit dividend zal 10 procent voorheffing moeten ingehouden worden.

In het Staatsblad van 23 april staat een korte samenvatting van het nieuwe stelsel. Het belooft nu reeds voor heel wat toepassingsproblemen te zorgen. Eerst en vooral wordt de voorheffing met terugwerkende kracht ingevoerd. De voorheffing is van toepassing op alle sommen toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 1 januari 2002. Hoe de vennootschap die voorheffing moet recupereren van de aandeelhouders voor de sommen die zijn uitgekeerd tussen 1 januari en 23 april, is een raadsel. Vooral voor vennootschappen met aandelen aan toonder lijkt dit onbegonnen werk.

Vereffeningen die zijn afgesloten vóór 25 maart 2002 ontspringen de dans. Waarom hier gekozen is voor de datum van 25 maart is niet duidelijk. Het zal je maar overkomen dat je als vereffenaar de vereffening van de vennootschap op 26 maart hebt afgesloten en geen gelden voorzien hebt voor deze, op dat ogenblik niet bestaande, heffing. Wie weet hoe het Arbitragehof denkt over wetten met terugwerkende kracht, ziet de procedures al aankomen.

Ook onder de aandeelhouders zullen slachtoffers vallen. Stel je voor dat je in januari voor 100 een aandeel hebt gekocht van een vennootschap met een kapitaal van 10 en gereserveerde winsten van 90 per aandeel. Indien deze vennootschap nu in vereffening gaat, ontvang je netto maar 91 of een verlies van 9. De inhouding van 9 zal ook voor iedere aandeelhouder hetzelfde zijn ongeacht de datum waarop hij het aandeel gekocht heeft en de prijs die hij ervoor betaald heeft. De heffing houdt met andere woorden geen enkele rekening met de reële winst die de aandeelhouder maakt.

Hopelijk denkt de regering eraan om hiervoor een oplossing te zoeken op het vlak van de persoonlijke aangifte via een gedeeltelijke teruggave van de voorheffing. In het andere geval hebben we niet meer met een inkomstenbelasting te maken, maar met een vorm van kapitaalbelasting.

  • Deze rubriek verschijnt wekelijks op donderdag. De auteur is advocaat bij Dumon, Sablon & Vanheeswijck.