BRUSSEL -- De ontwikkelingslanden wisten tijdens de afgelopen twintig jaar hun goederenexport sterker op te voeren dan de rijke landen. Hun inkomen daaruit hield echter geen gelijke tred: hun groeiende integratie in het wereldhandelssysteem werd slechts matig beloond.

Talrijke landen poogden hun afhankelijkheid van grondstoffen te verminderen en meer industriële producten voort te brengen en te exporteren. Niet alleen was de verwachte productiviteitsstijging in de industrie groter, maar tevens werd verhoopt dat de prijzen stabieler zouden zijn, zelfs bij toenemende exportvolumes. Zo zou het mogelijk zijn te ontsnappen aan het voor de grondstoffenexporterende landen zo prangende probleem van de dalende ruilvoet.

Vandaag staan de ontwikkelingslanden in voor nagenoeg een derde van de wereld-goederenhandel. Dat ze hun aandeel zo wisten op te voeren, is vooral te danken aan hun export van industriële producten, die nu 70 procent van hun totale uitvoer vertegenwoordigt.

Voor sommige industrieproducten bedraagt het marktaandeel van de ontwikkelingslanden nu de helft of meer. Belangrijker nog is dat een aantal van die landen erin geslaagd zijn zich een plaats te veroveren in de snel groeiende export van producten met een hoge technologische inhoud, onder meer elektronica.

Bij nader toezien is het beeld echter heel wat genuanceerder, blijkt uit een analyse van Unctad, de VN-organisatie voor handel en ontwikkeling (Trade and Development Report 2002). Met uitzondering van de eerste Oost-Aziatische tijgers, die een ruime industriële basis hadden en reeds diepgaand in het wereldhandelsstelsel geïntegreerd waren, is de export van de ontwikkelingslanden nog steeds sterk geconcentreerd rond producten die berusten op de ontginning van ertsen en grondstoffen en op ongeschoolde arbeid. Die producten bieden slechts matige vooruitzichten op productiviteitsverhoging, en ze doen het op de wereldmarkt ook niet goed.

De statistieken die een aanzienlijke expansie van de technologie-intensieve, hoogwaardige export vanuit de ontwikkelingslanden laten uitschijnen, zijn misleidend. De indruk wordt gewekt dat zij het zijn die deze producten exporteren, maar in werkelijkheid zijn die landen vaak slechts betrokken bij het assemblagestadium van de internationale productieketens die door de multinationale ondernemingen worden georganiseerd. Het grootste gedeelte van de technologie en van de kennis zit in de ingevoerde componenten, en veel van de toegevoegde waarde gaat naar de producenten in de rijkere landen waar die componenten worden voortgebracht, en naar de multinationals die de productienetwerken organiseren.

Hoewel de rijke landen hun aandeel in de wereldexport van industrieproducten tijdens de voorbije twee decennia hebben zien krimpen, is hun aandeel in de toegevoegde waarde die in de industrie wordt voortgebracht verhoogd. De ontwikkelingslanden daarentegen hebben hun industriële export sterk opgevoerd, maar het aandeel van hun industriële toegevoegde waarde in hun bruto binnenlands product is niet in dezelfde mate toegenomen.

Participatie in de arbeidsintensieve segmenten van de internationale productienetwerken kan voor landen in de vroege stadia van industrialisering beslist grote voordelen opleveren. Ze kunnen daardoor werkgelegenheid tot stand brengen en de welvaart verhogen, ook al wordt weinig toegevoegde waarde voortgebracht. Bovendien verruimt dat de mogelijke waaier aan sectoren waar de industrialisering kan beginnen en waar de vereiste basistechnieken en organisatorische vaardigheden kunnen worden aangeleerd. Maar zo doet een land nog geen sprong naar een nieuw patroon van snelle en volgehouden industriële groei.

Bovendien bestaat een groeiend gevaar van overaanbod op de afzetmarkten voor arbeidsintensieve industrieproducten vanuit de ontwikkelingslanden. Nu reeds wordt duidelijk dat de prijzen van de industriële export vanuit de ontwikkelingslanden de jongste jaren verzwakt zijn in vergelijking met die van de rijke landen.

Voor de landen die het meeste uit het internationale handelssysteem willen halen, komt het er niet zomaar op aan zich van de grondstoffenexport weg te diversifiëren, concludeert Unctad. Hun fundamentele beleidskeuze is niet meer of minder handelsliberalisering, maar hoe uit hun participatie in dat stelsel die elementen te halen die hun economische ontwikkeling in de hand werken.