BRUSSEL -- De vooruitzichten voor de Belgische arbeidsmarkt anno 2002 zijn niet bijster goed. De werkloosheid zal met 37.000 aangroeien en het aantal jobs neemt voor het eerst sinds 1994 niet toe. Daardoor daalt de werkzaamheidsgraad -- het aantal werkenden tussen 15 en 65 jaar -- tot 59,3 procent. In 2010 zou dat percentage nochtans 70 procent moeten bedragen. De federale minister van Arbeid, Laurette Onkelinx, maakt nu al voorbehoud bij het behalen van die Europese doelstelling.

Onkelinx doet dat in de tekst van het Nationaal Actieplan voor de Werkgelegenheid. De PS-vice-premier presenteerde het actieplan dinsdagnamiddag aan de verenigde commissies Sociale Zaken van Kamer en Senaat. Het gaat om het verslag dat de Belgische regering jaarlijks moet opstellen voor de EU-Commissie over het gevoerde werkgelegenheidsbeleid.

Terwijl de bevolking op beroepsactieve leeftijd (volgens Europese normen gemeten tussen 15 en 65 jaar) toeneemt met 36.800, of 0,46 procent, blijft het aantal jobs in ons land onveranderd tegenover vorig jaar. Het saldo van de daling bij loontrekkenden en zelfstandigen en de stijging bij grensarbeiders en ambtenaren is 0 (zie tabel) ; het perfecte status quo na een periode van onafgebroken jobaangroei: plus 235.000 tussen 1996 en 2001.

Die ontwikkeling brengt mee dat de werkloosheid (in ruime zin) dit jaar aangroeit van 470.000 naar 492.000. Het aantal werkzoekende werklozen zou 449.000 bedragen, flink meer dan in voorbije twee jaar (zie grafiek) . In 2000 waren er voor elke niet-ingevulde werkaanbieding gemiddeld 6 niet-werkende werkzoekenden beschikbaar. Vorig jaar waren er dat al 8 en dit jaar allicht nog iets meer. De regionale verschillen zijn groot: in Vlaanderen zijn er 4 werklozen ,,beschikbaar'' per vacature, in Wallonië 30 en in Brussel 29.

In ieder geval scoort ons land slecht inzake de werkzaamheidsgraad. Die drukt de verhouding uit tussen de tewerkgestelde actieve bevolking in percentage van de totale bevolking op beroepsactieve leeftijd. Vorig jaar lag die werkzaamheidsgraad op 59,6 procent. Dit jaar zou er een daling zijn naar 59,3 procent. Ook hier weer opmerkelijke regionale verschillen: voor Vlaanderen gaat het om 63,3 procent, voor Wallonië om 55,8 procent en voor Brussel om 54,5 procent.

Met dergelijke, dalende cijfers wordt het behalen van de Europese norm -- een werkzaamheidsgraad van 70 procent in 2010 (met 67 procent in 2005 als tusendoortje) -- erg onrealistisch. Minister Onkelinx weet dat. In het rapport neemt ze voorzichtig afstand van de EU-norm, die nochtans door de paarsgroene regering en het concept van de actieve welvaartsstaat gekoesterd werd: ,,We mogen niet vergeten dat het om een doelstelling voor de gehele Unie gaat, wat betekent dat sommige landen de doelstelling dichter zullen benaderen dan andere. Sommige landen overschrijden ze nu reeds, terwijl andere -- waaronder België -- ze nog niet bereiken. Het past dat ze een haalbare doelstelling vastleggen.''

Aan De Standaard zei Onkelinx begin april: ,,We moeten in de richting van de 70 procent gaan. Stap voor stap. Maar ik zal ons sociaal model niet kapotmaken om de termijnen van de EU-Commissie te halen.''

Het Belgische actieplan benadrukt de verlenging van het beroepsleven. Dat kan door soepele eindeloopbaanformules, lastenverlagingen bij aanwerving van 45-plussers of de verplichte betaling van outplacement bij ontslag van 45-plussers. En de werkloze 50-plussers worden geleidelijk weer als werkzoekenden ingeschreven. Ze krijgen opnieuw jobaanbiedingen. Die (her)opname van 50-plussers in de officiële statistieken is een van de verklaringen voor de stijging van de werkloosheid, dit jaar.

Het rapport stelt vast dat Belgische werknemers driemaal minder in atypische werksituaties zitten dan hun collega's in andere EU-landen. Amper 10 procent van de Belgen werkt op zaterdag, tegen 27,9 procent in de EU. Op zondag is dat 4,3 tegen 11,4 procent, 's nachts 2,3 tegen 7,6 procent.

Minder flexibel dus. Maar de vice-premier van de Parti Socialiste waarschuwt: ,,We moeten een steriele confrontatie tussen flexibiliteit en sociale zekerheid vermijden en bijzondere aandacht besteden aan het traject van werknemers, zodat atypisch werk een springplank voor een betere baan vormt en geen valstrik waarin werknemers terechtkomen.''

Ze geeft ten slotte een pluim voor het Belgische sociaal model. Door de uitgebreide sociale dialoog telt België jaarlijks 7 stakingsdagen per 1.000 werknemers. In de EU zijn er dat gemiddeld 26.