BRUSSEL -- Nadat zaterdag tijdens de bijeenkomst van de Groep van Zeven een wapenstilstand bereikt leek, kwam het beleid van de Europese Centrale Bank (ECB) opnieuw onder vuur te liggen. Drie van de zeven grootste industrielanden riepen haar onverwacht toch weer op haar rente te verlagen. Pikant is dat Frankrijk zich onder de pleitbezorgers bevindt.

In feite gaat het om een botsing tussen twee opvattingen over het Europese rentebeleid die beide perfect eerbiedwaardig zijn, maar die elkaars tegenpolen zijn. De ene wordt ontwikkeld in het lijvige halfjaarlijkse document waarin het Internationaal Monetair Fonds (IMF) zijn toekomstverwachtigen ontvouwt; het andere is het credo van de ECB zelf.

Het IMF neemt aan dat de onderliggende inflatie -- zonder de wisselvallige energie- en voedingsprijzen -- in het eurogebied dit jaar stabiel zal blijven op anderhalf procent. Het ziet ook weinig aanduidingen dat de hogere energieprijzen en de euro-depreciatie van vorig jaar tot onrustbarende loonsverhogingen aanleiding zullen geven. Er is dus weinig interne druk op de prijzen, ook al ligt de inflatie in de periferie (vooral in Ierland met zijn prijsstijging van 5,5 procent) wat hoger.

Maar de buitenlandse vraag is wel verzwakt, en vanuit een planetair oogpunt zou het goed zijn als Europa de rol van motor van de wereldeconomie zou kunnen overnemen, nu Amerika een uitgesproken groeivertraging kent en de Japanse economie blijft stagneren.

Men weet overigens dat rente-ingrepen slechts na verloop van een aantal maanden hun invloed doen gelden op de reële economie. Daarom acht het IMF een ,,matige renteverlaging'' gepast. Het zou een verdere verlaging aangewezen achten als de euro sterk in koers zou stijgen of als de weerslag van de wereldwijde groeivertraging duidelijker zou worden. De rentetarieven van de ECB zijn onveranderd gebleven sinds de laatste verhoging met een kwart procentpunt in oktober, terwijl ze in de andere belangrijke industrielanden verlaagd zijn.

De hoofdeconoom van het IMF, Michael Mussa, permitteerde zich de uitspraak dat ,,het tijd werd dat de ECB een deel wordt van de oplossing, en niet langer een deel blijft van het probleem van de wereldwijde groeivertraging''. Zijn baas, de Duitser Horst Köhler, zag zich na Europees protest genoopt te zeggen dat hij die formulering betreurde.

De Europese Centrale Bank gaat er van haar kant van uit dat het eurogebied nu als betrekkelijk gesloten economie beter bestand is tegen recessieve invloeden van buitenuit dan de individuele lidstaten het waren vooraleer de muntunie tot stand kwam. En de lage wisselkoers van de euro heeft op zichzelf al een zelfde conjunctuurstimulerend effect als renteverlagingen.

Maar het fundamentele argument van de ECB is dat haar opdracht erin bestaat een stabiel kader te scheppen waarin duurzame, niet-inflatoire groei kan gedijen. Natuurlijk zou het goed zijn als de gemiddelde kruissnelheid van de Europese economie boven de huidige 2,5 procent kon worden gebracht, maar daar kan het geldbeleid niet voor zorgen. Daar zijn integendeel verdere structurele hervormingen voor nodig, onder meer wat de werking van de arbeidsmarkt betreft. Het huidige rentepeil staat trouwens de groei niet in de weg.

De ECB heeft van de Europese grondwet, het verdrag van Maastricht, het mandaat gekregen om voor prijsstabiliteit te zorgen. Tevens heeft ze de vereiste autonomie gekregen om die opdracht naar behoren uit te voeren. Haar interpretatie van prijsstabiliteit is een gemiddelde stijging van de verbruiksprijzen van ten hoogste 2 procent in het eurogebied -- kortstondige overschrijdingen niet te na gesproken. In werkelijkheid ligt ze al geruime tijd rond de 2,5 procent.

Dat men nu gevoelig is voor een half procentpunt inflatie meer of minder, geeft aan welke immense vooruitgang is geboekt sedert ze twee decennia geleden in de Europese landen tien, vijftien, twintig procent per jaar beliep.

De ministers van Financiën en centrale bankiers van de Groep van Zeven -- Verenigde Staten, Canada, Japan, Duitsland, Groot-Brittannië, Frankrijk en Italië -- hadden zich zaterdag klaarblijkelijk voorgenomen de publieke opinie en de financiële markten te imponeren met hun eensgezindheid. In hun slotverklaring was daarom geen sprake van het Europese rentebeleid, en tijdens de besprekingen was het ook niet aangeroerd. Sommige van de deelnemers, of hun adviseurs, herinnerden zich wellicht dat de krach van oktober 1987 op de aandelenbeurzen mede was toegeschreven aan de transatlantische schermutselingen over de Duitse renteverhogingen die eraan voorafgingen.

Wim Duisenberg zei na afloop van de vergadering dat de inflatie in het eurogebied dit jaar vermoedelijk niet meer beneden de 2 procent zal dalen, waarmee hij impliciet te kennen gaf dat ook in de komende maanden niet op een renteverlaging moet worden gerekend. Hij voegde eraan toe dat de ECB haar geloofwaardigheid zou schaden als ze een andere houding zou aannemen. En men weet dat de geloofwaardigheid van een centrale bank een kostbare verworvenheid is die slechts geleidelijk wordt opgebouwd.

De Franse minister van Financiën, Laurent Fabius, zei in zijn toespraak op de bijeenkomst van het ministercomité van het IMF echter dat de inflatie in de eurozone onder controle is en dat ,,de beleidsmakers daarmee rekening moeten houden''. Impliciet drong hij dus toch op een renteverlaging aan, net zoals Didier Reynders -- de huidige voorzitter van de ,,eurogroep'' van ministers van Financiën -- dat eerder al had gedaan. Ook de Canadese minister Paul Martin sprak zich daarvoor uit. Hij werd bijgetreden door de nieuwe Japanse minister Masajuro Shiokawa, die zonder blijkbaar het ironische ervan in te zien verklaarde dat hij zich zorgen maakte over een mogelijk verzwakkende groei in Europa en de ECB opriep indien noodzakelijk tijdig maatregelen te nemen.

Wat de betrokkenen met dat soort publieke verklaringen menen te kunnen bereiken, is niet duidelijk. Als het koor van politici alvast één resultaat heeft, is dat de leiders van de Europese Centrale Bank uit zelfrespect ten minste moeten wachten tot het uitgestorven is vooraleer ze de weg van renteversoepelingen kunnen inslaan.