BRUSSEL -- De euro heeft zijn derde jaar erop zitten. Meteen ook het laatste jaar dat de Europese eenheidsmunt voor de meeste burgers nog een goeddeels virtueel bestaan leidde. Afgelopen jaar kon de aanhoudende verzwakking van de euro eindelijk een halt worden toegeroepen. Gelukkig, want sinds gisteren hebben we hem allemaal in onze portemonnee. Maar van een echt herstel tegenover de Amerikaanse dollar is voorlopig nog geen sprake.

De meeste economisten hebben de euro van bij het begin een grote internationale carrière voorspeld, die de hegemonie van de Amerikaanse dollar in twijfel zou trekken. Uit de jongste cijfers blijkt dat de euro inderdaad de op één na belangrijkste munt op de wisselmarkten is geworden, maar dat de hooggespannen verwachtingen niet werden waargemaakt.

Precies een jaar geleden was de euro 0,94 dollar waard. Dat was toen 7 procent minder dan twaalf maanden eerder, bijna 15 procent meer dan het dieptepunt van einde oktober 2001 en een fractie meer dan de gemiddelde koers van heel 2000.

Twaalf maanden later schommelt de euro tussen 0,88 en 0,90 dollar. Op het eerste gezicht weinig evolutie. De euro eindigt op een haar van zijn gemiddelde koers van het jaar. Maar tussen het hoogtepunt van net geen 0,96 dollar op 5 januari en het dieptepunt van bijna 0,83 dollar op 5 juli, ligt toch weer een verschil van 15 procent.

Na een verzwakking die net geen 22 maanden aanhield en de Europese eenheidsmunt 30 procent onder zijn introductiekoers van 4 januari 1999 deed belanden, leek de euro einde vorig jaar eindelijk aan het herstel begonnen. Maar dat blijkt niet te kloppen. De euro blijft schommelen zonder echt uit de marge van iets meer dan 0,8 tot hooguit 0,95 dollar te geraken.

Toch werd de nieuwe munt van bij de start, nu drie jaar geleden, een mooie toekomst voorspeld. De koers zou stijgen tot meer dan 1,2 dollar, en ook nog begin 2000, toen de euro nog net iets meer waard was dan één dollar, stelden economisten over de hele wereld een herstel in het vooruitzicht tot 1,1 dollar.

Hoe komt het toch dat de voorspellingen van economisten er zo flagrant naast zaten, vroeg Liesbeth Van de Craen zich een dik jaar geleden af. Van de Craen is senior economiste bij de BBL, gespecialiseerd in de euro. Ook zij voorspelde in april 2000 nog een herstel. ,,Misschien niet onmiddellijk voor de komende maanden, maar zeker vanaf het derde trimester van dit jaar,'' luidde het toen.

,,Het punt voorspellen waarop de krachtsverhouding tussen twee munten omslaat, is aartsmoeilijk'', gaf ze een dik halfjaar later toe. ,,Wie de jongste twee jaar systematisch alle voorspellingen opzij schoof en telkens gewoon de koers van de dag extrapoleerde, zat er met die random walk meestal minder ver naast dan de gespecialiseerde economisten.''

Nu, nog een jaar later, neemt Van de Craen samen met collega Peter Vanden Houte, hoofdeconomist van dezelfde bank, de draad opnieuw op. De bedrijven hebben de euro als financieringsmunt duidelijk in de armen gesloten, zeggen ze. Maar de beleggers blijven nog langs de zijlijn, net als de centrale banken die wereldwijd aarzelen om de euro een zwaar gewicht toe te kennen in hun valutareserves.

De cijfers spreken boekdelen. In 1998, het jaar voor de introductie van de euro, namen de munten die nu vervangen worden door de euro, een dik kwart van de internationale munttransacties voor hun rekening. Op een totaal van 200 procent (elke verrichting gebeurt tussen twee munten en wordt dus per definitie dubbel geteld) ging 52,5 procent naar de euromunten.

Om dubbeltellingen te vermijden moet rekening worden gehouden met de verrichtingen tussen de euromunten onderling die goed waren voor ongeveer 10 procent. Een status-quo zou dus inhouden dat de euro nu ten minste 42,5 (52,5 min 10) op 200 procent of 21,2 procent van de markt zou moeten vertegenwoordigen. Maar afgelopen jaar kwam de euro niet verder dan een marktaandeel van 18,8 procent (37,6 op 200 procent).

Anderzijds hebben de bedrijven het voordeel van de euro vrij snel ontdekt. Zij ontlenen sinds 1999 duidelijk meer in euro dan vroeger in de samenstellende munten. In de periode 1994 tot 1998 haalden de munten die nu vervangen worden door de euro, samen 19 procent van de internationale obligatie-uitgiftes naar zich toe.

In 1999, het eerste levensjaar van de euro, was de nieuwe munt meteen goed voor 31 procent van de internationale obligaties, tegen 38 procent in dollar en 15 procent in yen. In het derde kwartaal van dat jaar presteerde de euro zelfs beter dan de dollar. Daarna gleed de Europese eenheidsmunt wat terug. In 2000 haalde de euro nog een kwart, de dollar 35 procent, en de yen 22 procent. Recentere cijfers zijn niet beschikbaar, maar de indruk bestaat dat de rol van de euro nog verder verzwakte.

Helemaal zwak presteert de euro bij beleggers. Uit een studie van de Bank voor Internationale Betalingen (BIS) blijkt dat het aandeel van de euro in de internationale portefeuilles zou moeten stijgen met 15 tot 20 procent om het economisch gewicht van de eurozone correct weer te geven. Als die verschuiving zou plaatsvinden, wordt in een andere studie becijferd, zou de dollar tot 40 procent in waarde kunnen verminderen tegenover de euro. Dat zou de koers van de Europese eenheidsmunt opjagen tot ongeveer 1,25 dollar.

Verscheidene studies komen ook tot het besluit dat de creatie van de eurozone zelf aanleiding heeft gegeven tot het verminderde aandeel van de euro in de beleggingsportefeuilles. Door de almaar toenemende convergentie van inflatie, groeicijfers en andere macro-economische gegevens in de zone, gekoppeld aan een uniform monetair beleid, is het koersverloop op de nationale aandelen- en de obligatiemarkten sterk toegenomen.

Een voorzichtig belegger, die zijn portefeuille voldoende wil spreiden, moet dus meer dan vroeger ook zijn heil zoeken buiten de eurozone.

Bovendien is de euro niet de stabiele munt geworden die de centrale bankiers verwacht hadden. Hoewel over de vraag of de Europese eenheidsmunt nu al dan niet ,,volatieler'' is dan haar samenstellende delen nog veel onenigheid bestaat.

Sommige economisten wijzen op het relatief besloten karakter van de eurozone, waardoor de Europese Centrale Bank (ECB) allicht minder dan in het verleden kijkt naar de wisselkoersstabiliteit. Anderen argumenteren echter dat de wisselkoers als instrument van monetaire politiek typisch aangewend wordt door kleinere, relatief open economieën. Grote of gesloten economieën hebben de wisselkoers niet nodig om de reële economie te stabiliseren.

Van de Craen en Vanden Houte wijzen ook op de originele theorie die Coutinho in 1999 lanceerde. Hij wijst erop dat schokken zoals de Amerikaanse economische groei die vertraagt of bedrijven die opvallende resultaten bekendmaken, weggediversifieerd worden binnen de eurozone. Wat voor het ene land goed nieuws is kan voor het andere land slecht zijn en omgekeerd. De creatie van de eurozone werkte dus stabiliserend, zegt hij.

Van de Craen en Vanden Houte plaatsen daar tegenover dat de stabiliteit dan zou moeten toenemen naarmate meer landen toetreden tot de zone, terwijl zo'n uitbreiding evengoed het risico van het uiteenvallen van de muntunie doet toenemen, wat de onzekerheid en dus de volatiliteit vergroot.

Hoe dan ook, besluiten beiden, de potentiële volatiliteit van de euro heeft onderzoekers al een fikse kluif bezorgd, die tot nu toe geen duidelijk besluit heeft opgeleverd.

De test van de volatiliteit op de wisselmarkten voor en na de introductie van de euro heeft evenmin bevestiging geleverd voor deze of gene theorie. Diverse studies bevestigen dat er (voorlopig?) geen betekenisvolle veranderingen in de volatiliteit kunnen worden opgetekend.

Vreemd genoeg zijn door de komst van de euro de transactiekosten op de wisselmarkt ook gestegen. Het verschil tussen de prijs die beleggers of investeerders bereid zijn te betalen bij aankoop en wat ze verwachten bij verkoop van de euro is nu groter dan destijds bij de individuele Europese munten.

Volgens verscheidene studies ligt dat aan de verhoogde doorzichtigheid van de markt. Vroeger konden valutahandelaars grote orders voor een bepaalde munt opdelen over diverse euromunten. Nu niet meer. De markt zal dus veel sneller op zo'n orders reageren, waardoor het risico voor de handelaar groter wordt tijdens de korte periode waarin hij de positie opbouwt.

Volgens alle internationale studies bestaat er een negatief verband tussen de hoogte van de transactiekosten en de omzet of beter het internationaal gebruik van een munt. De euro zit dus voorlopig opgezadeld met een structurele handicap.

Ten slotte slaagt de euro er ook niet in een sterke positie te veroveren als reserve- en ankermunt. Uit de statistieken van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) blijkt dat de euro einde 1999 12,5 procent van de deviezenreserves van de centrale banken vertegenwoordigde, tegen 66 procent voor de dollar.

De euro is weliswaar de tweede belangrijkste reservemunt, maar zijn gewicht komt zelfs niet in de buurt van het relatief economisch belang van de eurozone. In 1990, blijkt uit cijfers van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (Oeso), waren de Verenigde Staten goed voor 34,8 procent van het totale bbp van de Oeso-landen. De grootste vijf eurolanden (samen goed voor 85 procent van het euro-bbp) haalden toen 29,5 procent.

Einde 1998 was het aandeel van de VS geklommen tot 36,3 procent, terwijl dat van de vijf eurolanden was gedaald tot 28,4 procent. Recentere cijfers heeft de Oeso niet, maar gelet op de sterke groei van de VS-economie, zeggen Vanden Houte en Van de Craen, zal de kloof ongetwijfeld nog verder vergroot zijn.

Van de 66 munten die op een vaste manier aan een andere (grotere) munt zijn gekoppeld, hebben 21 gekozen voor euro, tegen 19 voor de dollar. Maar het economisch belang van de landen die voor de dollar kozen -- onder meer China, India, Maleisië, Venezuela en Hongkong -- is stukken groter.

De euro, besluiten Van de Craen en Vanden Houte, is na de dollar weliswaar de belangrijkste wereldmunt geworden, maar heeft nog een hele weg af te leggen vooraleer hij de Amerikaanse munt naar de kroon kan stoten.

Een deel van die achterstand is duidelijk te wijten aan inertie -- gewoontes veranderen maar langzaam -- maar er blijven structurele belemmeringen die een grotere internationale rol van de euro in de weg staan.

En zelfs als die weggewerkt worden zal de internationale rol van de euro niet automatisch toenemen. Daarvoor is economische groei nodig. Paul De Grauwe, VLD-senator en professor aan de KU Leuven, toonde drie jaar geleden in een studie aan dat de dollar er maar in slaagde het Britse pond van de troon te stoten omdat de Amerikaanse economie na verloop van tijd structureel sneller begon te groeien dan de Britse.

De jongste jaren evolueren de zaken eerder in de andere richting. Het relatief belang van de eurozone kan volgens de BBL-economisten daarom allicht enkel toenemen door een uitbreiding van de eurozone. Een Britse toetreding bijvoorbeeld zou een geweldige aanwinst zijn, vooral omdat ook landen als Denemarken, Zweden en een aantal Centraal- en Oost-Europese kandidaat-lidstaten dan wellicht snel zullen volgen.

Uit cijfers van het IMF blijkt dat het relatief gewicht van de eurozone daardoor met zowat 6 procent zou toenemen. Maar om ook praktisch werkbaar te zijn, merken Vanden Houte en Van de Craen op, zal allicht meer politieke integratie noodzakelijk zijn.

Laat er geen twijfel over bestaan, besluiten beide BBL-economisten, de euro is nu al een belangrijke munt op de wisselmarkten. Maar het is zeker nog geen volwaardige internationale munt. Daarvoor is meer politieke wil nodig. Zoals altijd, leert de geschiedenis van eerder aangegane monetaire unies. En zolang dat niet het geval is blijft elke voorspelling over het toekomstig koersverloop van de euro een hachelijke onderneming.