De ironie van het lot wil dat de overvloedigst met grondstoffen en ertsen begiftigde landen niet zelden ook de allerarmste bevolkingen hebben, zoals president Clinton zopas tijdens zijn bezoek aan Nigeria kon vaststellen. Een toeval is dat niet.

We kennen het treurige lot van onze voormalige kolonie, waarvan men niet ophoudt te herhalen hoe potentieel rijk ze wel is. Nigeria, die andere reus in Zwart-Afrika, heeft sinds zijn onafhankelijkheid, veertig jaar geleden, nagenoeg 300 miljard dollar aan de olie verdiend en desondanks de materiële situatie van zijn bevolking niet weten te verbeteren: het geld werd gestolen, verspild of op zijn minst ongelukkig besteed. Het is een voorbeeld waarover te mediteren valt door weldenkende mensen die menen dat met een grootscheeps ,,Marshallplan'' de problemen van de onderontwikkeling op te lossen vallen.

Sommige olielanden hebben van hun overvloedige inkomsten beter gebruik gemaakt dan andere. Alle corruptie ten spijt, presteerde Indonesië beter en voerde het de levensstandaard van zijn bevolking sterker op dan men na Soeharto's val bereid was toe te geven. Maar over zijn geheel genomen is het de recente geschiedenis van de olierijke landen geen opwekkend verhaal.

De Iraanse oud-minister van Financiën Jahangir Amouzegar, een gerespecteerd econoom die ook lid van de raad van bestuur van het IMF is geweest, kwam vorig jaar in zijn boek Opec: Windfalls and Pittfals tot de ongelooflijke vaststelling dat het inkomen per inwoner in dertien landen die vanaf 1973-74 de grootste transfer van rijkdom teweegbrachten die ooit in vredestijd had plaatsgevonden, in 1994 lager was dan in de tien jaar vóór ze hun grote slag sloegen.

In plaats van de bankiers van de wereld te worden, kwamen ze bij de club van de schuldenaars terecht. Als zoveel landen op zulke korte tijd zoveel rijkdom in rook kunnen doen opgaan, mag men de vraag stellen of er een vloek rust op personen of landen die te snel rijk worden, aldus Amouzegar.

Dankzij de verdrievoudiging van de prijs van ruwe olie sinds begin vorig jaar krijgen de Opec-landen nu een derde kans, na de episodes van 1973-74 en van 1978-79 om verticaal oplopende exportontvangsten om te zetten in duurzame ontwikkeling.

Het ontbreekt in de geschiedenis niet aan voorbeelden van plotse rijkdom die uiteindelijk allesbehalve een zegen voor de bevolking bleek. Spanje roofde kolossale hoeveelheden goud en zilver uit de Nieuwe Wereld. Het resultaat was inflatie, eeuwenlange stagnatie en een van de laagste inkomensniveaus in West-Europa. In de 18e eeuw was de Haïtiaanse export naar Europa, voornamelijk van suiker, meer waard dan die van de dertien Amerikaanse koloniën samen. Kort daarna zonk Haïti weg in diepe armoede, en ook vandaag blijft het een van de armste landen ter wereld. Een eeuw geleden behoorde Argentinië dankzij zijn veeteelt en graan tot de welvarendste landen; sindsdien is het in de rangschikking diep weggezakt.

Een aantal van de rijkste of best presterende landen, zoals Zwitserland, Japan, Denemarken en de ,,tijgers'' Taiwan, Zuid-Korea, Hong Kong en Singapore, beschikken over geen noemenswaardige natuurlijke rijkdommen.

Het enige land op het Afrikaanse continent dat uitstekend presteert, is Botswana. De jongste decennia was zijn economische groei vergelijkbaar met die van de Zuidoost-Aziatische landen (maar het is zwaar getroffen door de Aids-catastrofe). Tot voor kort werd zijn snelle groei in grote mate toegeschreven aan zijn rijkdom aan diamant. Vandaag is men veeleer geneigd vast te stellen dat Botswana het zo goed doet ondánks de diamant.

Wat Nederland na de ontdekking van zijn gasbel in de late jaren vijftig overkwam, staat internationaal bekend als de ,,Dutch disease'' - de Nederlandse ziekte. Ze bestaat erin dat de ontdekking van belangrijke natuurlijke rijkdommen een bloeiende nieuwe sector doet ontstaan, maar tevens tot gevolg heeft dat de traditionele sectoren internationaal oncompetitief worden. De nieuwe sector komt er niet vanzelf; er moet massaal worden in geïnvesteerd, wat kapitaal en arbeid wegtrekt uit de rest van de economie. Bovendien is een koersstijging van de nationale munt in die ,,gelukkige'' omstandigheden moeilijk te vermijden, wat de traditionele export nog meer klappen geeft.

Nederland wist na 1980 de zaken weer geleidelijk recht te trekken en zichzelf uit te bouwen tot het ,,Poldermodel''. En wat het gas aan inkomsten oplevert, hoeft natuurlijk niet van de belastingbetalers te komen. Groot-Brittannië en Noorwegen, die eveneens over belangrijke energiebronnen beschikken, probeerden met wisselend succes de Nederlandse ziekte te vermijden. Maar de meeste grondstoffenproducerende landen worden er vroeg of laat mee geconfronteerd.

Een bijkomende oorzaak van het zwakke presteren van die economieën is hun volatiliteit en kwetsbaarheid voor prijsschokken in beide richtingen. De prijzen van producten zoals ruwe olie, koffie, rubber en ertsen zijn notoir wisselvallig. In de praktijk blijkt het zeer moeilijk meevallende inkomsten verstandig te besteden, en een ineenstorting van de prijzen leidt tot nog grotere ellende.

Erger nog dan de verduistering en de verspilling van de bodemrijkdom en de bedrogen verwachtingen van de bevolking zijn de grotere risico's van gewelddadige plundering en gewapend conflict. In een recent rapport, Economic Causes of Civil Conflict and their Implications for Policy, onderzocht de Wereldbank een vijftigtal burgeroorlogen uit de periode 1960-1999. Het blijkt dat landen met een gediversifieerde economie weinig kans lopen op een burgeroorlog, maar landen die voor hun inkomen sterk afhankelijk zijn van de export van edelstenen, koffie of andere grondstoffen des te meer.

Opstandelingen in kwetsbare landen plunderen de natuurlijke rijkdommen om hun wapenaankopen te financieren, grote aantallen jonge, pover opgeleide soldaten te betalen en hun rebellie in stand te houden. Die groepen produceren niets en moeten zich dus een economische activiteit kunnen toeëigenen zonder dat die ineenstort onder het gewicht van hun roof.

In Sierra Leone bijvoorbeeld is het inpalmen van de rijke diamantmijnen en de verkoop van diamanten in het buitenland een van de belangrijke redenen voor het voortduren van het bloedvergieten. In Angola wist de opstandige beweging Unita tijdens haar eerste oorlog met de regeringstroepen meer dan 4 miljard dollar aan financiële activa bijeen te brengen. Een deel daarvan werd later gebruikt om een tweede gewapend conflict te beginnen. Ten minste de helft van de oorlogskas van Unita komt van diamanten. Dergelijke oorlogen, van Sierra Leone tot Colombia, creëren winstgevende opportuniteiten voor minderheden, terwijl ze de meerderheid elk uitzicht op beterschap ontnemen, aldus het rapport.

Landen die schatten in de ondergrond hebben zitten, moeten bijna hopen dat ze nooit worden ontdekt en geëxploiteerd.