Dubbele bonnenvreters

Het verdrongen koloniale verleden van Nederland


30 december 1949. De kersverse president Soekarno van Indonesië houdt in Djakarta een receptie om de geboorte van de nieuwe natie te vieren.
© ap
De inpassing is geruisloos verlopen.'' Dat was in 1957 de conclusie van een wetenschappelijke studie over de integratie van Indische Nederlanders in de Nederlandse maatschappij. Een halve eeuw na de feiten blijkt die voorstelling van zaken te eenvoudig en vooral te eenzijdig. Wim Willems, coördinator van het centrum voor de Geschiedenis van Migranten aan de Universiteit van Amsterdam, doorbreekt in zijn nieuwe boek, De uittocht uit Indië 1945-1995, de consensus over de probleemloze Nederlandse dekolonisatiepolitiek. Hij geeft een genuanceerd beeld van de problemen die de zogenaamde assimilatie van de nieuwe Nederlanders in de naoorlogse samenleving heeft veroorzaakt. Het is het derde en afsluitende deel van de ,,handzame en ongekleurde geschiedenis over Nederlands-Indië'', die in opdracht van de Nederlandse overheid werd geschreven.

Net als andere Europese landen kreeg Nederland vorige eeuw te maken met honderdduizenden ,,repatrianten'': kolonialen die na de onafhankelijkheid van de kolonies werden gedwongen naar hun vaderland terug te keren. De termen ,,repatriant'' en ,,vaderland'' zijn op zijn minst dubieus, vindt Willems: een op drie van deze kolonialen had nooit eerder voet op Nederlandse bodem gezet. Hij spreekt liever van migranten, wat haaks staat op het streven van de Nederlandse overheid destijds ...