BRUSSEL -- Bij het verhuren van een woning, appartement, kantoor, garage en dergelijke vraagt de verhuurder meestal dat de huurder hem een waarborg geeft. Daardoor kan hij zijn financieel risico beperken wanneer de huurder zijn verplichtingen niet nakomt (hij betaalt de huur niet, er is huurschade...)

Deze huurwaarborg bestaat veelal uit een som geld (vaak ten belope van drie maanden huur). Maar het kan ook anders. De verhuurder zou zich bijvoorbeeld ook tevreden kunnen stellen met het in waarborg geven door de huurder van effecten (zoals aandelen of obligaties) of roerende goederen (bijvoorbeeld een juweel). Of de huurder zou een bankwaarborg ten gunste van de verhuurder kunnen afleveren. Waarbij de bank zich borg stelt voor de huurder ten belope van een bepaald bedrag, dat hoger mag zijn dan drie maanden huur.

Jan Roodhooft
©mc

Als de huurwaarborg wordt gegeven in de vorm van een som geld, durft men in de praktijk wel eens te vergeten dat, als er sprake is van een woninghuur -- de huur van een woonst als hoofdverblijfplaats -- strikte wettelijke voorschriften moeten worden nageleefd. Deze regels zijn wat men noemt van dwingend recht. Wat meteen betekent dat de partijen er niet van kunnen afwijken en dus geen andersluidende overeenkomst kunnen afsluiten.

Meer bepaald geldt dan vooreerst dat de waarborg niet meer mag bedragen drie maanden huurgeld. Minder kan wel. Bovendien moet de waarborg bij een financiële instelling worden geplaatst op een geïndividualiseerde rekening op naam van de huurder. Het gaat dus niet op dat de verhuurder van de huurder eist dat de waarborg aan hem wordt overhandigd of op zijn persoonlijke rekening wordt overgeschreven. Hoewel sommige verhuurders dat wel doen... Bij het einde van de huur worden de waarborg en de intresten die daarop werden verworven, overgemaakt aan de huurder. Voor zover die althans zijn verplichtingen nakwam. De bank mag de waarborg (en de intresten daarop) alleen aan de huurder terugbetalen als deze een schriftelijk akkoord van de verhuurder kan voorleggen. Als u niet goed weet hoe dat akkoord precies op papier moet worden gezet, dan kan u aan de bank een modelformuliertje vragen.

Weigert de verhuurder zijn akkoord te geven, dan zal de huurder de vrederechter moeten verzoeken de vrijgave in zijn voordeel te bevelen. Door aan de bank een afschrift van de rechterlijke beslissing te bezorgen, zal de huurder de waarborg eveneens terugkrijgen.

Is er huurschade of zijn er achterstallen bij het einde van de huur, dan zal de verhuurder de huurwaarborg hiervoor kunnen aanwenden. Gaat de huurder daarmee akkoord, dan is er geen probleem. In het andere geval zal de vrederechter ook hier moeten tussenbeide komen. En beslissen aan wie de huurwaarborg (en de intresten daarop) toekomen.

In de praktijk wordt geregeld gezondigd tegen deze voorschriften en eisen verhuurders toch dat de waarborg aan hen wordt betaald. De wet geeft duidelijk aan wat dan de sanctie is. De verhuurder die in het bezit is van de huurwaarborg, is namelijk aan de huurder de gemiddelde marktrente op de waarborgsom verschuldigd. Van zodra de huurder hem aanmaant zijn wettelijke plichten na te komen, is hij zelfs de wettelijke intrest (7 procent) op het bedrag van de waarborg verschuldigd. In het gemeen huurrecht (bijvoorbeeld huur van een appartement aan zee voor zes maanden, huur van een garage, kantoor ...) gelden de voorgaande regels niet. Huurder en verhuurder hebben daar een zeer grote vrijheid. Zij kunnen bijvoorbeeld perfect een waarborg ten bedrage van zes maanden huur overeenkomen, of afspreken dat de waarborg gestort wordt op de persoonlijke rekening van de verhuurder.

Nog dit: een huurwaarborg vragen is nooit verplicht. De verhuurder kan er dus perfect voor opteren om geen waarborg te vragen, en het risico op onvermogendheid van de huurder te lopen...

(De auteur is advocaat bij het advocatenkantoor De Lat, Wuyts en vennoten in Herentals.)

  • Deze rubriek verschijnt wekelijks op dinsdag.