Er is vandaag wellicht geen beter symbool voor Amerika dan Nasdaq. Enkele jaren geleden wisten alleen financiële experts dat het de beurs was waar veel groeibedrijven noteerden, de Intels en de Microsofts. Maar nu geeft Nasdaq de overheersende stemming in Amerika weer: optimisme, vertrouwen in technologische superioriteit, de romantiek van ogenblikkelijk fortuin.

Jeetje, hoe opwindend. America Online en Time Warner gaan fusioneren. Hoewel beide aandelen op de New Yorkse beurs noteren, is Nasdaq het eigenlijke epicentrum van deze omwenteling.

Amerika is een natie geworden van ticker-tape watchers. In 1999 steeg de Nasdaq Composite Index met een verbazingwekkende 86 procent. In de voorgaande drie jaar bedroegen de stijgingen 40 procent (1998), 22 procent (1997) en 23 procent (1996).

Nasdaq bestaat sinds 1971. Sinds toen hielp de beurs veel bedrijven geld ophalen om te groeien. Maar haar recente winsten moeten een bredere betekenis hebben. Het moet zijn dat we een economisch wonderland zijn binnengetreden, waar de oude beleggingsregels herschreven of herroepen zijn. Dat moet wel, want anders zou de explosie van Nasdaq een speculatieve zeepbel zijn, die ooit moet uiteenspatten of lucht aflaten. Wat een ketterse gedachte.

Een courante maatstaf van de waardering van een aandeel is de koers-winstverhouding of k/w. Als een bedrijf een winst maakt van 1 dollar per aandeel en een koers heeft van 10 dollar, dan bedraagt zijn koers-winstverhouding 10. Volgens onderzoek van Jeremy Siegel, professor Financiewezen aan de Wharton School , bedroeg de gemiddelde k/w van alle Amerikaanse aandelen tussen 1871 en 1996 14.

Eind 1999 lag de k/w van Nasdaq ongeveer op 200, becijferde Brian Rauscher, een analist bij Morgan Stanley Dean Witter. Van groeibedrijven, die het vooruitzicht hebben op een bovengemiddelde groei van de winst, mag je natuurlijk wel verwachten dat ze een hoger dan gemiddelde k/w hebben. Eind de jaren '80 fluctueerde de k/w van Nasdaq (het gemiddelde voor alle bedrijven op de beurs) tussen 20 en 25. Tegen 1991 was dat ongeveer 40. Eind 1998 benaderde het 100, en het jaar daarop verdubbelde het nog eens.

,,Er is nog nooit een brede beursindex geweest met een vergelijkbare k/w'', zegt Siegel. Hij haalt ter vergelijking de nifty fifty -aandelen aan uit de vroege jaren zeventig. Het waren destijds hete groeiaandelen, met onder meer IBM, Xerox en McDonald's. Op hun piek in december 1972 bedroeg de gemiddelde k/w van de nifty fifty 41. Het prijzigste aandeel, Polaroid, had een k/w van 95. Geen zorg. Tenslotte herschrijven we de geschiedenis. Technologiebedrijven kunnen tegenwoordig nooit eerder geziene koersen halen, vaak ondanks magere bedrijfswinsten of enorme verliezen, omdat (zoals iedereen toch weet) het Internet alles anders maakt. Beter nog, ze hebben een enorm groeipotentieel omdat de handel die momenteel via Internet verloopt, nog minimaal is.

De omzet van de kleinhandel via Internet bedroeg in 1999 16 miljard dollar (650 miljard frank), schat de marktonderzoeker PC Data Online. Andere schattingen hebben het over iets meer dan 20 miljard dollar. Maar wat het juiste cijfer ook is, het verbleekt bij de totale consumptie-uitgaven van ruim 6 biljoen dollar (243.000 miljard frank).

Ach wat. De bedrijfswinsten van vandaag moeten wel irrelevant zijn, want de opportuniteiten van morgen zijn toch zo ontzaglijk groot. In zijn vorig boekjaar verdiende internetbedrijf Yahoo 21 dollarcent per aandeel. Zijn aandeel ging van de hand voor 433 dollar, wat een k/w oplevert van 2.062. Jeff Bezos, de stichter van Amazon.com, werd door Time Magazine verkozen tot persoon van het jaar, hoewel zijn bedrijf eind september een cumulatief verlies had opgestapeld van bijna 600 miljoen dollar of 24 miljard frank (intussen nog meer).

Volgens de klassieke logica kan Amazon.com alleen klanten aantrekken door zijn prijzen te verramsjen en een grote marketingcampagne te voeren. Volgens de internetlogica zijn deze verliezen in werkelijkheid ,,expansiekosten'' waarvoor Amazon.com uiteindelijk zal worden beloond met hele hordes trouwe klanten.

Tegen een recente koers van 70 dollar per aandeel wordt Amazon.com bijna 24 miljard dollar (970 miljard frank) waard geacht. Om daarop een jaarlijkse return van 10 procent te halen, zou het bedrijf elk jaar 2,4 miljard dollar of 97 miljard frank winst moeten boeken. Dat is meer dan wat het bedrijf in 1999 kon verkopen.

Maar wie maalt daarom? De oude regel dat je solide aandelen moet kopen tegen fatsoenlijke prijzen en dat je rijk wordt naarmate de bedrijfswinst stijgt, geldt alleen nog voor stommelingen. Waarom een aandeel bijhouden als je het voor een snelle winst kan verkopen? Op een doorsnee dag gaan er 13 miljoen aandelen van Amazon.com over de toonbank. Dat is één tiende van alle Amazon-aandelen op de beurs. Elke twee weken verandert dus het hele beursgenoteerde aandelenkapitaal van eigenaar.

Nasdaq vertegenwoordigt vandaag een groeiend deel van Amerika's papieren rijkdom. Eind 1999 bedroeg de kapitalisatie van alle op de beurs genoteerde aandelen 5,2 biljoen dollar (210.000 miljard frank). Dat is bijna eenderde van de waarde van alle aandelen die op Amerikaanse beurzen genoteerd zijn (15,8 biljoen dollar of 640.000 miljard frank).

Eind 1996 beliep de kapitalisatie van Nasdaq nog 1,5 biljoen dollar, of minder dan eenvijfde van de toenmalige waarde van alle aandelen in de VS. Die toegenomen rijkdom moet het vertrouwen van de Amerikanen in de beurs en de gezondheid van de economie wel versterken.

John Maynard Keynes vergeleek de beurs ooit met een casino. Hoe meer aandelen in handen komen van mensen ,,die geen bedrijfsleider zijn en geen specifieke kennis hebben (...) van het bedrijf in kwestie'', hoe speculatiever de markt wordt, vond hij. Traders houden zich minder bezig met wat een investering ,,echt waard is voor iemand die koopt om bij te houden'', dan met de vraag ,,wat de marktwaardering zal zijn, onder de invloed van massapsychologie''.

Mocht Keynes vandaag nog leven, dan zou hij onvermijdelijk naar Nasdaq kijken. En ongetwijfeld zou hij zo onder de indruk zijn dat hij zijn mening zou herzien en zijn woorden afzweren. Of toch niet?

(De auteur is columnist.)

© Washington Post