BRUSSEL -- Om fiscaal aftrekbaar te zijn, moeten onderhoudsgelden regelmatig worden betaald. De aftrek van alimentatie die regelmatig te laat wordt betaald, kan worden geweigerd, zoals blijkt uit een recent arrest van de rechtbank van eerste aanleg van Brugge.

In het kader van een echtscheiding wordt de man veroordeeld om voor elk van zijn twee kinderen een maandelijks onderhoudsgeld te betalen van 12.500 frank. Dit onderhoudsgeld moet op basis van het vonnis vooraf worden betaald. Gedurende verscheidene maanden wordt er echter niets betaald, zodat de vrouw uiteindelijk laat overgaan tot loonbeslag.

Gedurende de daarop volgende jaren volgt er verschillende keren een loonbeslag omdat er geen vrijwillige betalingen gebeuren.

In zijn fiscale aangifte brengt de man de sommen die via het loonbeslag aan zijn ex-echtgenote worden betaald, in aftrek. Maar zijn belastingcontroleur verwerpt het grootste gedeelte van deze onderhoudsgelden. Een deel ervan heeft immers betrekking op bedragen die verschuldigd waren gedurende een voorgaand jaar. Een ander deel werd met minstens drie maanden vertraging betaald. Volgens de fiscale administratie is er hier geen sprake meer van een regelmatige betaling en zijn de voorwaarden voor aftrekbaarheid niet vervuld.

De belastingplichtige brengt de zaak uiteindelijk voor de rechtbank van eerste aanleg van Brugge. Hij argumenteert daar dat de vereiste regelmaat niet inhoudt dat het onderhoudsgeld wekelijks, maandelijks of trimestrieel moet betaald worden. Het volstaat volgens hem dat er herhaaldelijke betalingen gebeuren. Een eventuele vertraging heeft niet voor gevolg dat er geen regelmaat, in de betekenis van herhaling, zou zijn.

In een vonnis van 27 maart 2000 (Fisk. Koerier nr. 10) stuurt de rechtbank hem echter wandelen. Volgens de rechtbank moet het begrip regelmaat worden verstaan als periodiek. Dit veronderstelt dat de betalingen punctueel en volgens de omstandigheden herhaaldelijk plaatsvinden. Dit moet worden beoordeeld aan de hand van de feitelijke omstandigheden van iedere zaak.

In dit geval moest er maandelijks vooraf worden betaald. Betalingen met een vertraging van drie maanden of meer kunnen in dergelijk geval niet meer als regelmatig worden beschouwd. De rechtbank bevestigt dan ook het standpunt van de belastingadministratie.

De administratie gaat er immers al lang van uit dat alimentatiegelden die met niet meer dan drie maanden vertraging worden betaald, nog steeds regelmatig zijn. Hieruit kan men ook afleiden dat een vertraging van meer dan drie maanden niet door de beugel kan.

Terloops velt de rechtbank in deze zaak ook een oordeel over de inwerkingtreding van de nieuwe fiscale procedure. De belastingbetaler had immers eerst op 29 maart 1999 een procedure ingeleid voor het hof van beroep van Gent. Door de wetten van 15 en 23 maart 1999 werd plots de rechtbank van eerste aanleg bevoegd voor fiscale geschillen en wel vanaf 1 maart 1999. Het gevolg was dat alle procedures die na 1 maart 1999 nog volgens de oude regels voor het hof van beroep waren gebracht, opnieuw moesten worden ingeleid voor de rechtbank van eerste aanleg.

De betrokkene vindt dit een staaltje van slechte wetgeving en vraagt vergoed te worden voor de kosten van de nutteloze procedure voor het hof van beroep. De rechtbank merkt evenwel op dat hij zijn zaak pas op 29 maart bij het hof had ingeleid. De wetten van 15 en 23 maart 1999, die pas in werking traden op 6 april 1999, waren reeds op 27 maart 1999 in het Staatsblad gepubliceerd.

Op het moment dat hij zijn procedure voor het hof van beroep startte, moest de belastingbetaler dan ook weten dat dit zinloos was. Hij draait dan ook zelf op voor de kosten van die nutteloze procedure.

(De auteur is advocaat bij Dumon, Sablon & Vanheeswijck.)

  • Deze rubriek verschijnt wekelijks op donderdag.
  • U wil onze betalende artikels lezen maar nog geen abonnement nemen? Meld u aan en proef gratis van  plus-artikels.

    Lees gratis ›

    Geen betaalgegevens nodig