In de tweede helft van de jaren tachtig stond Japan onder internationale druk om zijn binnenlandse vraag te stimuleren. Het gaf daaraan toe en verruimde de geldomloop. Dat leidde tot een zeepbel, die in 1990 uiteenspatte met kapitaalverliezen en een inkrimping van de economie als gevolg. De Japanners werden in een val gelokt en geduwd waaruit ze zich nog steeds niet hebben bevrijd. Ze werden het slachtoffer van verkeerd beleidsadvies.

In 1985 vertoonde de lopende rekening van de Amerikaanse betalingsbalans een deficit gelijk aan 3 procent van het bbp. De onmiddellijke beleidsbekommernis was dat tekort te verkleinen, en een van de instrumenten daartoe was een devaluatie van de dollar. Bovendien oefende Washington druk uit op Japan en Duitsland om als locomotief voor de wereldeconomie op te treden.

Ook academici stuurden daarop aan. Fred Bergsten schreef in 1986 dat Japan en Duitsland expansieve maatregelen moesten nemen ter waarde van 2 á 3 procent van hun bbp. Twee jaar later herhaalde hij dat ze hun binnenlandse vraag snel moesten doen toenemen.

Paul Krugman stelde in 1989 vast dat het Duitse gebrek aan bereidheid om de binnenlandse vraag op te voeren een probleem vormde. Rudiger Dornbusch oordeelde dat een dalende dollar veel goed zou doen: hij zou Amerika's weerspannige handelspartners doen inzien dat ze de locomotieven voor de wereldeconomie moesten worden of dat ze anders zelf in een diepe recessie zouden terechtkomen.

In de Plaza-Overeenkomst van september 1985 spraken de ministers van Financiën en centrale bankiers van de Groep van Vijf af de dollar omlaag te duwen door in de wisselmarkt in te grijpen. Tussen 1985 en 1987 steeg de koers van de Japanse yen met 50 procent. Gevolg gevend aan de politieke druk om de binnenlandse vraag te verhogen, schakelde het Japanse monetaire beleid over naar een expansieve strategie.

Het disconto werd verminderd van 5 procent in januari 1986 tot 2,5 procent in februari 1987. Zowel de korte- als de langetermijnrente daalden beduidend. Het geldvolume steeg met meer dan 8 procent per jaar in 1985 en 1986 en met meer dan 10 procent per jaar in 1987 en 1988.

Het Louvre-Akkoord van februari 1987 had tot doel de wisselkoers van de yen tegenover de dollar te bevriezen. Dat betekende dat het Japanse monetaire beleid zich niet langer zou richten op het prijsniveau maar op de wisselkoers en de betalingsbalans. Door een beleid van lage rente zou een verdere klim van het betalingsoverschot en van de yen worden voorkomen. Het resultaat was een versnelde aangroei van de geldomloop.

Doordat op de lopende rekening van de Amerikaanse betalingsbalans een tekort bleef bestaan, was er een overaanbod van dollars (of een te grote vraag naar yen). Dat zou normalerwijs tot een verdere stijging van de yen hebben geleid. Om die in te tomen, verhoogde de Bank van Japan het aanbod van yen. Aangezien de yen sterk bleef, vertaalde de toename van de geldomloop zich niet in een uitgesproken stijging van de consumptieprijzen. Wel voedde ze een klim van de prijzen van woningen, gronden en financiële activa. De zeepbel begon aan te zwellen. De waardestijgingen en de lage kapitaalkosten leidden tot een investeringsboom, voornamelijk in de vastgoedsector.

De zeepbel kwam tot uiting in de oplopende aandelenkoersen en in de index van de grondprijzen. Uiteindelijk werd die ,,inflatie van de activa'' gezien haar gevolgen voor de inkomens- en de vermogensverdeling zorgwekkend: een groot deel van de bevolking kon zich de aankoop van een huis of van een appartement niet meer veroorloven.

Vanaf mei 1989 verhoogde de Bank van Japan haar disconto. Tegen augustus 1990 had ze het opgetrokken tot 6 procent. De Nikkei-index, die was opgelopen van 10.000 punten in 1984 tot 38.916 op 29 december 1989, viel in 1990 terug tot 20.221 punten en kalfde nadien nog verder af. Nadat de prijzen van commercieel vastgoed tussen 1984 tot 1981 met vier waren vermenigvuldigd, vielen ze weer tot een kwart van die piekwaarde terug.

Het onmiddellijke gevolg van het uiteenspatten van de zeepbel was dat financieel kapitaal verloren ging. De kapitaalverliezen tijdens de periode 1990-'96 bedroegen 967.000 miljard yen, wat overeenstemde met het bruto binnenlands product van twee jaar. De gezinnen droegen meer dan 40 procent van dat verlies.

De banksector bleef met een ernstig probleem van oninbare vorderingen zitten. Het voordien zo dynamische Japan kende tien jaar lang een zwakke of onbestaande groei. Bovendien draagt het land zware kosten in zijn pogingen om zich uit de val los te maken. Zo werd aan het programma voor de stabilisering van de financiële sector 60.000 miljard yen (bij de huidige wisselkoers bijna 23.000 miljard fr.) toegewezen.

De les uit die jammerlijke episode is dat het naïef is ervan uit te gaan dat men de wereldvraag kan sturen en haar kan doen verschuiven van de ene grote regio naar de andere. Zulke Keynesiaanse fijnregeling heeft nationaal niet gewerkt en kan ook wereldwijd niet werken. Het gevaar is dat pogingen daartoe tot de onstabiliteit van de economische activiteit bijdragen en dat verbeteringen in één opzicht betaald worden met nieuwe en mogelijk ernstiger verstoringen elders. De Japanse ervaring illustreert hoe macro-economische coördinatie kan falen. Het beleidsadvies dat het land kreeg, was bovendien verkeerd.

(De auteur is voorzitter van het Institut für Weltwirtschaft in Kiel en lid van de Duitse raad van economische adviseurs.)