BRUSSEL -- Het is intussen genoegzaam bekend dat de Belgische fiscus in het bezit is gekomen van gegevens met betrekking tot de Luxemburgse bankrekeningen van heel wat Belgische KB Lux-cliënten. De houding van de betrokken belastingplichtigen verschilt nogal, van staalhard ontkennen tot ,,spontane'' regularisatie. Hoewel bij de KB Lux-dossiers in eerste instantie aan inkomstenbelastingen wordt gedacht, mag de mogelijke impact op vlak van successierechten niet uit het oog verloren worden.

Met name denken wij aan een mogelijke toepassing van artikel 108 van het Wetboek Successierechten. Volgens dit artikel kunnen bepaalde ,,akten van eigendom'' volstaan om vast te stellen dat op een gegeven moment een overledene eigenaar was van bepaalde goederen en creëren zij bijgevolg, met het oog op de heffing der successierechten, het weerlegbaar vermoeden dat deze goederen tot de nalatenschap van de overledene behoren.

Het vermoeden van artikel 108 W. Succ. is toepasselijk op alle soorten goederen. Voor onder meer geldsommen en effecten aan toonder, kan artikel 108 W. Succ. evenwel maar ingeroepen worden indien de akten werden opgemaakt uiterlijk drie jaar vóór het overlijden.

Onder ,,akten van eigendom'' worden verstaan de geschriften die uitgaan van de overledene of van een derde die voor rekening van de overledene of in diens belang optreedt, en waaruit op een onomstootbare wijze blijkt dat bepaalde goederen aan de overledene toebehoorden op een welbepaalde datum. Deze akten kunnen uitgaan van de overledene zelf of van derden die ze opstelden te zijnen bate of op zijn verzoek. Rekeninguittreksels van zicht-, deposito- of effectenrekeningen vallen hieronder (zie ook De Cuyper, Successierechten, II, nr. 1723).

Onlangs vonniste de rechtbank van eerste aanleg in Turnhout dat ook computeruitprints van een Zwitserse effectenrekening, alsmede van de eraan verbonden lopende rekeningen, als akten van eigendom in de zin van artikel 108 W. Succ. kunnen worden beschouwd (Rb. Turnhout, 16 april 1999, Rep. RJ, 435/7-4).

Toegepast op de KB Lux-dossiers moet er bijgevolg worden op gewezen dat de stukken waarover de fiscus beschikt, als akten van eigendom in de zin van artikel 108 W. Succ. kunnen worden beschouwd. Indien deze stukken ouder dan drie jaar zijn (wat in de meeste gevallen het geval is), vindt artikel 108 W. Succ. geen toepassing. Dan zou de fiscus de stukken in kwestie (bv. computeruitprints) wel kunnen hanteren in het kader van artikel 105 W. Succ. De bewijslast berust dan wel bij de fiscus.

Er kan tevens worden geargumenteerd (in het kader van artikel 108 W. Succ.) dat de geschriften in het bezit van de fiscus niet ten bate of op verzoek van de overledene werden opgesteld. Dit geldt echter niet indien de belastingplichtige zelf in het kader van een regularisatieprocedure bepaalde stukken aan de fiscus heeft aangereikt.

Artikel 108 W. Succ. laat de belastingplichtige wel de mogelijkheid om het wettelijke vermoeden te weerleggen. Meestal komt dit tegenbewijs erop neer dat kan worden aangetoond dat de goederen niet meer in het patrimonium van de overledene aanwezig zijn op de dag van het overlijden. Dat de belastingplichtige bij dit tegenbewijs niet al te lichtzinnig mag tewerkgaan, blijkt uit een arrest van het hof van beroep in Luik, dat in een concreet geval de erfgenamen veroordeelde tot een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding (Luik, 17 februari 1998, Rec. Gén. Enr. Not., 1998, nr. 24.853).

Ingeval van verwikkeling in een KB Lux- (of gelijkaardig) dossier, moeten belastingplichtigen dus niet enkel rekening houden met mogelijke rectificaties op vlak van inkomstenbelastingen, maar tevens met mogelijke implicaties op vlak van successierechten. Ingeval van overlijden, zou de fiscus in bepaalde gevallen dus nogmaals kunnen trachten de gegevens ,,te gelde'' te maken.

Alain Nijs is advocaat bij het bureau Tiberghien.