BRUSSEL -- Wanneer een gemeente een rioleringsnet of trottoirs en fietspaden aanlegt, probeert zij vaak de kosten daarvoor te verhalen op de aanpalende eigenaars. Dergelijke belasting heet een ,,verhaalbelasting''. De gemeente schiet de nodige middelen voor, maar verhaalt die op de inwoners die er het voordeel uit halen. Wat gebeurt er echter met de subsidies die de gemeente krijgt voor dezelfde werken? Moet bij de berekening van de verhaalbelasting daarmee rekening worden gehouden of blijven die buiten beschouwing? Alles hangt af van de tekst van het belastingreglement. Het kan dus de moeite lonen om dit eens grondig na te lezen.

Een gemeente uit de provincie Antwerpen laat in een belangrijke straat de riolering vernieuwen. Zij slaagt erin om maar liefst 55 % van de kosten te laten subsidiëren door de Vlaamse Gemeenschap en de provincie. Daarnaast voert zij een belastingreglement in om de kosten die de gemeente maakte voor de uitvoering van de werken te verhalen op de eigenaars van de percelen die in de betrokken straat liggen.

Luc Vanheeswijck
©mc

Die eigenaars stellen evenwel vast dat de totale kostprijs van de werken ten laste van de aangelanden wordt gelegd en dat de ontvangen subsidies niet in aftrek worden gebracht. Een van hen vindt dat niet eerlijk en dient een bezwaarschrift in. De Bestendige Deputatie van de provincie -- die toen nog bevoegd was -- wijst het bezwaarschrift af, waarna de belastingbetaler de zaak voor het hof van beroep van Antwerpen brengt.

Daar vindt hij wel gehoor. In een arrest van 21 december 1999 (besproken in Fiscale Koerier nr. 6) gaat het hof over tot een grondig onderzoek van de termen van het belastingreglement. Het hof stelt vast dat de basis voor de verhaalbelasting bestaat uit de door de gemeente gemaakte uitgaven. De gemaakte uitgaven vallen niet noodzakelijk samen met de kostprijs van de werken.

Volgens het hof zijn de gemaakte uitgaven die uitgaven die door de gemeente daadwerkelijk werden gedaan. De toegekende subsidies kunnen geen effectief gedane uitgaven uitmaken. De subsidies mogen dus geen deel uitmaken van de berekeningsgrondslag van de verhaalbelasting.

Alhoewel dit de logica zelf lijkt, wijst Guy Poppe in zijn commentaar bij het arrest erop dat gelijkaardige zaken eerder in het nadeel van de belastingplichtige werden beslecht. De redenering die daarbij gevolgd werd, was dat de subsidies die een gemeente ontvangt, niet aan de inwoners van een bepaalde straat mogen ten goede komen, maar wel aan alle inwoners van die gemeente.

Bijgevolg mag het bedrag van de subsidies niet worden afgetrokken van de basis van de verhaalbelasting die door de inwoners van die straat verschuldigd is. De ontvangen subsidie verlicht de gemeentelijke begroting in haar geheel. Op die manier worden de inwoners die in subsidieerbare straten wonen, op dezelfde manier behandeld als hun buren uit niet-subsidieerbare straten.

Gemeenten die deze oude regeling willen toepassen, definiëren best nauwkeurig in hun belastingreglement wat zij onder verhaalbare kosten verstaan.

Gemeenten waarvan het belastingreglement niet zo duidelijk is, hoeven nog niet te wanhopen. Het hof van beroep van Antwerpen had immers ook heel anders kunnen beslissen. Het hof had het begrip ,,gemaakte uitgaven'' ook kunnen interpreteren als alle sommen die de gemeente uitgeeft voor de uitvoering van de werken in kwestie, en dit ongeacht de manier waarop die uitgave gefinancierd wordt: via eigen middelen, via leningen of via subsidies.

Subsidies zijn immers eerder een manier om bepaalde uitgaven te financieren. De logische tegenhanger daarvan is dat de interesten op eventuele leningen die worden aangegaan om de werken te betalen, ook niet op de aangelanden worden verhaald.

(De auteur is advocaat bij Dumon, Sablon & Vanheeswijck.)

  • Deze rubriek verschijnt wekelijks op donderdag.