BRUSSEL -- Een landbouwer wordt onteigend in 1979. Datzelfde jaar kent de vrederechter hem een vergoeding toe. De Staat gaat echter tegen dat vonnis in beroep en pas in 1996 wordt de vergoeding definitief vastgelegd. De belastingadministratie kon echter zolang niet wachten. Zij had onze boer al belast voor het jaar 1979 op basis van het vonnis van de vrederechter. Die taxatie werd evenwel door het hof van beroep van Bergen op 5 november 1999 ongedaan gemaakt. Ook de fiscus moet het einde van het proces afwachten.

Er is niet altijd belasting verschuldigd wanneer iemand door de overheid onteigend wordt. Gaat het om een onroerend goed van een particulier, is de situatie anders. Zij ontvangen trouwens niet alleen een vergoeding die hen in staat moet stellen om een ander gelijkaardig onroerend goed te kopen, maar ook een vergoeding voor diverse kosten, zoals de kosten van verhuis, de kosten voor de verloren meststoffen die al op de akkers waren verspreid, de winstderving..

Elk van die vergoedingen ondergaat haar eigen fiscaal regime. Sommige worden als gewone winst belast, andere vormen een meerwaarde, die in sommige gevallen van belasting is vrijgesteld, al dan niet mits er een wederbelegging gebeurt.

De vraag die aan het hof van beroep van Bergen werd voorgelegd, was wanneer die verschillende vergoedingen nu precies belastbaar zijn. De belastingadministratie was van mening dat de landbouwer de hem door de vrederechter toegekende vergoedingen onmiddellijk had moeten aangeven.

Het hof van beroep is het daar niet mee eens. In zijn arrest van 5 november 1999 (besproken is Fiscoloog nr. 734 van 15 december 1999) oordeelt het hof dat onze boer slechts een zekere en vaststaande schuldvordering heeft bij de afloop van het onteigeningsproces, dus in 1996. In 1979 was er trouwens ook nog niets uitbetaald.

Zou de beslissing van het hof anders geweest zijn indien de onteigende overheid de door de vrederechter bepaalde bedragen al in 1979 zou hebben uitbetaald en daarna toch in beroep zou zijn gegaan? Het gebeurt immers dikwijls dat een vrederechter al een voorlopige vergoeding toekent, die later in beroep wordt verminderd. Op dat ogenblik moet de onteigende een deel van de vergoeding, verhoogd met (soms 20 jaar!) interest terugbetalen. In enkele gevallen moet de onteigende dan méér terugbetalen dan hij ooit ontvangen heeft.

Als hij bovendien in 1979 op de ontvangen vergoeding belasting zou hebben betaald, zou hij ook die belasting definitief kwijt zijn. Alle termijnen om bezwaar aan te tekenen of een ontheffing van ambtswege te vragen, zijn in 1996 immers al lang verstreken. Ook het feit dat hij de in 1996 terugbetaalde bedragen als beroepskosten zou mogen aftrekken, biedt niet altijd soelaas. Als onze landbouwer vóór 1996 met pensioen is gegaan, heeft hij in dat jaar geen beroepsinkomsten meer waarvan hij die uitgave in aftrek kan brengen.

Er valt dus iets voor te zeggen om ontvangen voorschotten en provisionele betalingen pas te belasten op het ogenblik dat definitief vaststaat dat ze niet moeten worden teruggegeven. Iedere andere oplossing zou de onteigende verplichten om een bewarend bezwaarschrift in te dienen telkens wanneer de onteigenende overheid beroep aantekent. Hij is op dat ogenblik immers niet meer zeker dat hij de ontvangen bedragen zal mogen behouden, terwijl hij evenmin weet of hij de later terug te betalen bedragen ook effectief als beroepskosten zal kunnen aftrekken in het jaar van terugbetaling. In die zin is het arrest van het hof van beroep van Bergen, dat beslist dat er slechts belastbaarheid optreedt zodra de vordering zeker en vaststaand is, dus op het einde van de procedure, te beschouwen als een oplossing die de fiscale belangen van de onteigende optimaal vrijwaart.

(De auteur is advocaat bij Dumon, Sablon & Vanheeswijck.)