AMSTERDAM - Er komt in Nederland een gerechtelijk onderzoek naar de ondergang van de telecomonderneming KPNQwest. Dat heeft de ondernemingskamer van het gerechtshof in Amsterdam donderdag besloten. De ondernemingskamer houdt er
Het Nederlandse KPN en het Amerikaanse Qwest bundelden in 1999 hun kabelnetwerken in een joint-venture. Tien procent van de aandelen kwam op de beurs van Amsterdam en New York. Maar de verliezen stapelden zich op en in 2002 ging het bedrijf failliet. KPNQwest was ook in België actief: ruim 350 personeelsleden in Hoeilaart kwamen door het faillissement op straat te staan.

Dat er nu een onderzoek wordt geopend naar de omstandigheden van het failliet, is een overwinning voor de Vereniging van Effectenbezitters (VEB) die de zaak tegen KPNQwest had aangespannen. De VEB stelt dat KPNQwest destijds willens en wetens de omzet heeft ,,opgepompt'' door overcapaciteit op zijn glasvezelnet te verkopen aan andere telecombedrijven, en in ruil hiervoor capaciteit terug te kopen. Ook heeft KPNQwest onrealistische prognoses afgegeven, aldus de Nederlandse beleggersorganisatie.

De totale schade van het faillissement wordt becijferd op meer dan 2,5 miljard euro. KPNQwest heeft in 1999 ruim 1 miljard euro opgehaald met een beursgang. Later heeft het telecombedrijf, dat zich op de zakelijke markt richtte, ook voor 1,55 miljard euro leningen uitgezet. Volgens KPNQwest kromp de markt in 2002 sneller dan verwacht.

De Amsterdamse ondernemingskamer sluit echter niet uit dat KPNQwest eerder op de hoogte was van de tegenvallende marktomstandigheden dan het aan de buitenwereld liet merken. Daar komt bij dat de rechter er rekening mee houdt dat KPNQwest ,,misleidende cijfers over 2001'' heeft gepubliceerd. De directie wist mogelijk dat het verlies veel hoger uitviel dan het telecombedrijf beleggers voorschotelde. KPNQwest rapporteerde in februari 2002 een verlies van 266.000 euro, maar dat werd enkele maanden later door de curatoren bijgesteld tot ruim 376 miljoen euro verlies.

Ook twijfelt de ondernemingskamer aan de transacties die KPNQwest heeft gepleegd met overcapaciteit op zijn glasvezelnet en de manier waarop de winsten daaruit in de boeken zijn verwerkt. Het voormalig bestuur en de toenmalige raad van commissarissen hebben hun handelwijze niet goed kunnen verklaren, aldus de ondernemingskamer.

Volgens de VEB was er ook sprake van belangenvermenging met de grootaandeelhouders, KPN en Qwest. Beide bedrijven sprongen niet bij om de joint-venture te redden. De commissarissen van het bedrijf hebben bovendien niet adequaat gereageerd op een brief van een verontruste medewerker, die al begin 2001 aan de bel trok over boekhoudfraude, zo stelt de VEB. De commissarissen hebben zich volgens de ondernemingskamer onvoldoende laten leiden door het belang van de onderneming.

Het onderzoek naar de ondergang van KPNQwest bestrijkt de periode vanaf 1 januari tot 23 mei 2002, toen de onderneming uitstel van betaling kreeg. De VEB onderzoekt de mogelijkheid tot een schadevergoeding. KPN en Qwest schikten in juni in New York met Amerikaanse beleggers die een gezamenlijke rechtszaak hadden aangespannen tegen het concern, de moedermaatschappijen en hun bestuurders. Het betrof een schikking van 15 miljoen dollar, te weinig volgens de VEB.