Congres Forum der Joodse Organisaties – 'Kinderen van de Shoah' – Toespraak door burgemeester Patrick Janssens – 28 oktober 2007
Dames en Heren,

Vooraf zou ik het Forum der Joodse Organisaties willen feliciteren met de organisatie van dit colloquium. Het is belangrijk dat we onze geschiedenis blijven kennen, en dat we zelfs de zwarte bladzijden uit het verleden niet zomaar omslaan. Het Forum levert hiermee andermaal een belangrijke bijdrage aan het behoud van ons gezamenlijke Antwerpse geheugen. Ik ben het forum daarvoor dankbaar en erkentelijk.

Bijna exact vijfenzestig jaar geleden schreef Antwerpen een van de donkerste bladzijden uit zijn geschiedenis. In drie razzia’s werden 1200 joodse mensen opgepakt en overgebracht naar de Dossinkazerne in Mechelen, vanwaar het transport naar het concentratiekamp werd georganiseerd. Ook van de Antwerpse joden overleefden slechts enkelen de vernietigingskampen. Bij de slachtoffers waren er veel vrouwen en kinderen. We kunnen daar, zoveel later, niet voldoende bij blijven stilstaan. Recent historisch onderzoek leert ons bovendien dat de houding van de Antwerpse overheid en politie nogal grondig anders was dan die van de Brusselse. Dat is één van de belangrijkste conclusies uit de studie 'Gewillig België' van het Studie- en Documentatiecentrum Oorlog en Hedendaagse Maatschappij.

Twee auteurs van deze studie vatten die verschillen zonet nog even voor u samen. Ze gaven een verklaring voor de afwijkende houding van politiek en politie in beide steden. Er waren andere omstandigheden. Antwerpen was al gefuseerd tot Groot-Antwerpen en had een bestuur dat niet afkerig was van medewerking met de bezetter. In Brussel wisten de burgemeesters dat hun rol bijna uitgespeeld was omdat de fusie er zat aan te komen. De Brusselse burgemeesters, doorgaans Belgicistische patriotten uit de Eerste Wereldoorlog, weigerden medewerking met de Duitsers, ook in de vervolging van de joden. Het interessante aan de publicatie van het vroegere Navorsings- en Studiecentrum voor de Geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog is dat ze wetenschappelijk en genuanceerd is. Het is geen zwart-wit verhaal. Maar het is precies daardoor veel harder. En het legt de vinger op de wonde.

We kunnen vandaag dan ook niet anders dan erkennen dat het stadsbestuur en de politie in die dramatische dagen van de zomer van 1942 een actieve rol hebben gespeeld in de vervolging en arrestatie van de Antwerpse joden. De mensen die nu verantwoordelijkheid dragen in het stadsbestuur en de politie hebben op zich niets te maken met de Tweede Wereldoorlog, die al afgelopen was toen zij nog moesten geboren worden. Toch zijn het de instellingen waarvoor zij nu verantwoordelijkheid dragen, die mee verantwoordelijk waren voor het lot van vele joodse Antwerpenaars in de Tweede Wereldoorlog. Daarvoor bied ik u, namens het college, mijn excuses aan, als burgemeester van deze stad en als verantwoordelijke voor het politiekorps.

Ik wil er meteen aan toevoegen dat de toestand vandaag heel anders is dan vijfenzestig jaar geleden. Gelukkig. Nu zet ons politiekorps zich elke dag en met overtuiging in om de veiligheid te garanderen van de Antwerpse joden, en niet in het minst van de joodse kinderen. Ik wil onze politiemensen danken en feliciteren voor het knappe werk dat zij dagelijks leveren.

Tegelijk wil ik de joodse Antwerpenaars bedanken voor de manier waarop zij ook vandaag – zoals ook in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog – een belangrijke bijdrage leveren aan de vele facetten van het leven van en in onze stad. Dat is niet altijd gemakkelijk in een intussen nog diverser geworden stad. Verenigingen als het joods forum waken er op hun beurt over dat de joodse gemeenschap van Antwerpen niet in het isolement terechtkomt, maar op haar manier en met haar eigen inbreng deelneemt aan het samenleven.

Want vandaag geldt, precies zoals in de Tweede Wereldoorlog, voor elke Antwerpenaar:

Onverschilligheid is geen optie.

Ik dank u,

Patrick Janssens
Burgemeester van Antwerpen