BRUSSEL _ Na de overtuigende prestatie van de Koreaanse violiste Ju-Young Baek dinsdag, kregen we woensdag een tweede topprestatie. Andermaal van een vrouw, de Amerikaanse Christina Castelli. Als de wedstrijd zo doorgaat, krijgen we een vrouwelijke winnaar.
Het is waarlijk onthutsend hoezeer het niveau van een en dezelfde kandidaat van ronde tot ronde kan verschillen.
Vijf van de twaalf finalisten zie ik nu voor de derde keer aan het werk, de andere voor de tweede keer. In de eerste ronde heb ik 20 van de 79 kandidaten bezig gezien (van wie 20% dus de finale haalt, maar dat is het meest loutere toeval), in de halve finales alle 24.
Twijfel siert natuurlijk een mens, maar is een onhandige eigenschap van de recensent van een soortgelijke gebeurtenis. Hoedanook heeft hij enig systeem nodig. Net voor de prijsuitreiking van de eerste ronde, noteerde ik +, 0 of – voor de naam van mijn 20. Eerlijkheid gebiedt me te bekennen dat ik twee van de huidige finalisten een – had toegekend, eentje een 0.
Zijn mijn oren, mijn smaak, mijn normen, mijn hersenen dan waardeloos? Neen, de violisten zijn veranderd. Ofwel geven ze – heel berekend – pas in de finale het allerbeste van zichzelf, want dit blijft een loodzware wedstrijd. Ofwel stijgen ze miraculeus boven hun eigen kunnen uit. Ofwel worden ze dusdanig door stress ondermijnd dat ze nu zelfs nog nauwelijks in aanmerking komen voor een baan bij het Golden Symphonic Orchestra, het samenraapsel dat Helmut Lotti ‘klassiek’ begeleidt.

Neem nu de Amerikaanse violiste Christina Castelli (°1978), de tweede die woensdag aan de beurt kwam.
In mijn nota’s over haar prestaties in de halve finales kende ik haar een ‘oudewijventoon’ toe. En nog veel erger, dat ik u graag bespaar. Fysiek is zij dezelfde gebleven. Ze heeft de carrure van een Wagner-sopraan. Maar violonistiek is zij getransformeerd. Zij is de tweede violist op zes die de zaal Henry Leboeuf tot in de verste uithoek weet te vullen. De eerste was de Koreaanse Ju-Young Baek, die dinsdag aan bod kwam.
Tot mijn niet geringe verbazing is Castelli eensklaps welluidend geworden. Haar techniek is steeds boven alle verdenking verheven geweest, maar nu kan ik haar oprecht een buitengewoon begaafde violiste noemen.
In het plichtwerk van Søren Nils Eichberger (dat ik bij deze zesde keer op prijs begin te stellen) vertelde ze een energiek, spannend en bijwijlen zelfs ontroerend verhaal. En bijgestaan door het – andermaal over de hele lijn uitstekende – Nationaal Orkest van België o.l.v. Gilbert Varga maakte ze een feest van het vioolconcert van Jean Sibelius, een uitvoering die merkelijk beter was dan die van Feng Ning dinsdagavond.
Ze fraseert heel mooi, zet de juiste, zeer krijgshaftige tempo’s, maar begint dusdanig in haar onoverwinnelijkheid te geloven dat ze zich overgrijpt. Dit is een loodzwaar concerto, al aan het einde van het eerste deel zweet ze als een rund, tegen het einde van het tweede is ze omzeggens vloeibaar geworden. In het derde – en schier onmogelijke – deel vecht ze met verbetenheid tegen haar viool, die haar nu gaat pesten. Ze klinkt soms gruwelijk vals, maar tegen het einde zijn de twee weer een geworden. En die titanenstrijd is ontroerend mooi. Zeer terechte ovatie van publiek – en orkest.
Tussendoor speelde Castelli (met een geïnspireerde Daniel Blumenthal aan de piano) de vioolsonate van Claude Debussy. In tegenstelling met Boris Brovtsyn maandag wist ze hier meteen de juiste toon te treffen. Met een smachtende klank recreëerde ze het impressionistische landschap.

Over de eerste finaliste van woensdagavond zal ik kort moeten zijn. Er is weinig reden tot langwijligheid.
De Russische violiste Alina Pogotskin is 17 en de jongste van het lot. En zo klinkt ze ook. Haar toon is warrig en veel te klein. Dan probeert ze het maar met poëzie, waarin ze overigens heel goed is. Dat leidt tot een zeer eerbare uitvoering van het plichtwerk. Daarna bracht ze een evenzeer deugdelijke Tweede vioolsonate van Brahms. Ze werd daarbij evenwel zowat opgegeten door de Steinway van haar eigen begeleidster Gerda Guttenberg, overigens een technisch onzekere pianiste.
Het best bracht Pogotskin het er van af in het vioolconcert van Tchaikovsky. Ondanks haar frêle gestalte deed ze dat enthousiast, stijleigen, zonder daarbij in de fouten te vervallen van de ‘Oude Russische Vioolschool’. Geen overdreven vibrato, rubato en glissandi dus, geen ziekelijke suikerspin. Alleen een fijn snoepje. Maar ze mist nog de kracht om dat echt lekker te maken. Raar, maar waar, Tchaikovsky werd soms saai.

Conclusie dan. Alina Pogotskin moet nog groeien, maar als ik niet goed uitkijk, word ik straks nog een fan van Christina Castelli. Vals of niet, zij eindigt alleszins bij de eerste zes