Het voorstel van Vlaams minister van Onderwijs Frank Vandenbroucke (SP.A), om leraars die al enkele jaren in het Brusselse Nederlandstalig onderwijs werken een extra premie te geven, valt niet in goede aarde bij de christelijke onderwijsvakbond COC.
De premie lost de problemen rond taakbelasting en werkdruk van de leerkrachten niet op, vindt de vakbond. Ze kant zich tegen wat ze een vorm van 'differentiële verloning' noemt.

Het verloop bij de leerkrachten in het Brusselse Nederlandstalig onderwijs is groot, onder meer omdat ze steeds vaker te maken krijgen met anderstalige leerlingen. Amper 1 op de 20 leerlingen in het Brussels Nederlandstalig onderwijs spreekt thuis Nederlands.

Leraars die uit Vlaanderen komen, haken vaak af wanneer ze dichter bij huis kunnen werken. De door Vandenbroucke voorgestelde premie moet mensen aanmoedigen om een langere loopbaan in het Brussels onderwijs uit te bouwen.

'Verkeerde argumenten'

De argumenten die de minister aanhaalt, onder andere inzake de tijd voor de verplaatsingen en de kosten voor kinderopvang, snijden volgens het COC 'geen hout'. 'Op deze basis zou iedereen die in Brussel werkt, ook buiten het onderwijs, een hogere bezoldiging moeten krijgen. En gaan deze redenen ook niet op voor andere steden en gemeenten?', vraagt Jos Van Der Hoeven van het COC zich af.

Betere oplossingen

Volgens de christelijke vakbond zijn er geschiktere manieren om leerkrachten in Brussel aan het werk te houden: kleinere klassen, een goede infrastructuur, voldoende ondersteunend personeel, extra taalinitiatie en het stimuleren van de betrokkenheid van ouders. Een aantal van die zaken staan ook in Vandenbrouckes conceptnota over Brussel.