JERUZALEM - Israël heeft zich in Jeruzalem stilletjes grote stukken grond van Palestijnen op de Westoever toegeëigend, zeggen advocaten van de eigenaren. Dat is gebeurd nadat de regering van premier Ariel Sharon enkele maanden geleden besloot daartoe een wet te gebruiken op grond waarvan Israël bezit kan nemen van land van Palestijnen die in de oorlog van 1948-49 zijn gevlucht of verdreven. Het nieuwe beleid, waar de krant Haaretz eerder over berichtte, kan honderden Palestijnen treffen die grond in Jeruzalem bezitten.

De tot nog toe getroffen eigenaren wonen in Bethlehem en Beit Jalla, pal aan de gemeentegrens van Jeruzalem. Hun grond werd in augustus ingenomen, nadat zij door de Israëlische veiligheidsmuur van hun bezit waren afgesneden. Volgens gegevens van de Israëlische ministeries van financiën en justitie is de grond overgedragen aan een orgaan dat in 1950 met een wet in het leven werd geroepen om de grond van vertrokken Palestijnen te beheren.

Johnny Atik uit Bethlehem zei zondag dat hem een stuk olijfgaard is afgenomen van 3,24 hectare, binnen de gemeentegrenzen van Jeruzalem. Het land ligt slechts honderd meter van zijn huis, aan de andere kant van het elektronische hek en de patrouilleweg die onderdeel zijn van de veiligheidsmuur.

,,De olijven vallen op de grond. Wij zien ze, maar kunnen er niet aankomen.'' Atik zegt dat veertig andere gezinnen in zijn buurt hetzelfde is overkomen.

Honderden Palestijnen lopen het gevaar hun land kwijt te raken, zeggen de advocaten Daniel Seidemann en Mohammed Dahla. Atik wil procederen tot aan het Israëlische hooggerechtshof, maar de Israëlische jurist Moshe Negbi, die vaak kritiek heeft op het Israëlische beleid op de Westoever, denkt dat hij weinig kans maakt.

,,De wet staat dit jammer genoeg toe'', zegt Negbi. ,,Het is niet logisch, omdat Oost-Jeruzalem ook onderdeel was van de Westoever, maar zo is de situatie gezien vanuit de Israëlische wet.''

Een woordvoerder van het ministerie van financiën wilde alleen reageren op schriftelijke vragen. Het schriftelijke antwoord van het ministerie ging niet in op belangrijke vragen als hoeveel grond al is toegeëigend en of de eigenaren daarvoor een vergoeding hebben gekregen.

Israël veroverde het oostelijke deel van Jeruzalem en de Westoever in de oorlog van 1967. Oost-Jeruzalem werd geannexeerd, een stap die internationaal niet is erkend. Opeenvolgende Israëlische regeringen zagen ervan af om de wet van 1950 toe te passen op de grond die binnen de nieuwe gemeentegrenzen viel, ofschoon de meeste eigenaren op de Westoever woonden. Eén keer, aan het eind van de jaren ’80, probeerde Sharon, die toen minister was, eigendom in de moslimwijk van Oost-Jeruzalem aan joodse kolonisten over te dragen, maar het ministerie van justitie stak daar toen een stokje voor.

Het ministerie van financiën zegt dat de bezittingen van de grondeigenaren uit Bethlehem na de oorlog van 1967 al aan de staat zijn toegevallen. De vraag wat de staat met de grond gaat doen, was volgens het ministerie ,,niet relevant''. Het bureau van premier Sharon gaf geen commentaar, maar bevestigde dat de staat bevoegd is grond in Oost-Jeruzalem van afwezige eigenaren ,,over te dragen, te verkopen of te verpachten''. Voormalig gemeenteraadslid van Jeruzalem Moshe Amirav denkt dat als de onteigeningen in Jeruzalem door de rechter tegen het licht worden gehouden, ook de onteigeningen uit de beginjaren van Israël op losse schroeven komen te staan. Volgens Amirav zijn toentertijd minstens 20.000 huizen van vertrokken Arabische bewoners in West-Jeruzalem aan joden toegewezen. Advocaat Dahla zegt dat de grond waar het nu om gaat al honderden jaren eigendom is van Palestijnen in Beit Jalla. ,,Zij zijn niet afwezig (...) zij cultiveren het tot op de dag van vandaag.''