De Bosnische Serviër Radovan Karadzic was een van de nog voortvluchtige verdachten die worden gezocht door het Joegoslaviëtribunaal van de Verenigde Naties in Den Haag. Hij zal zich nu voor de rechters moeten verantwoorden wegens oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid tijdens de bloedige burgeroorlog.
De aanklacht tegen Karadzic mocht er dan al lang zijn, zijn arrestatie was een ander paar mouwen: Navo-soldaten konden aanvankelijk alleen verdachte oorlogsmisdadigers aanhouden als ze die toevallig tegen het lijf liepen; actief opsporen en arresteren maakte volgens de militaire leiding geen deel uit van de opdracht.

In hun boek ‘Balkan aan de Noordzee’ schrijven Cees Banning en Petra de Koning hoe een adviseur van de aanklagers, Bill Stuebner, in de zomer van 1996 met zijn eigen ogen zag hoe Karadzic met zijn lijfwachten langs een controlepost van Italiaanse Navo-militairen was gereden. ‘De Italianen hadden de andere kant op gekeken.’

Enkele maanden voordien had Karadzic via een medewerker zelfs laten verstaan aan Stuebner dat hij bereid was zich over te geven: hij was bang dat zijn lijfwachten van Milosevic het bevel hadden gekregen dat ze hem moesten doodschieten als de Navo probeerde om hem te arresteren. Stuebner bedacht samen met de medewerker van Karadzic zelfs een scenario voor de overgave.

Maar tijdens een conferentie over de uitvoering van het Dayton-vredesakkoord in Firenze in juni 1996 werd duidelijk dat de VS niet bereid waren om Karadzic in een verkiezingsjaar te arresteren, uit angst dat dat zou leiden tot nieuwe gevechten.

De Amerikanen waren vooral gepikeerd door een felle uitspraak van Antonio Cassese, de toenmalige Italiaanse voorzitter van het Tribunaal, in Firenze: ‘Ik heb meer dan genoeg van het wangedrag van de grote machten’, had Cassese gezegd.

Ook de jaren daarop gebeurde er weinig. Toch lieten westerse functionarissen en diplomaten telkens opnieuw weten dat Karadzic ‘binnenkort’ in Den Haag zou zitten. Geruchten deden de ronde dat de oorlogsverdachte verkleed als monnik rondhing in een of ander klooster in Servië of op de Griekse Athos-berg.

Pas vanaf 2003 leek het de internationale gemeenschap menens: de vernedering voor de internationale gemeenschap en de Navo werd stilaan vervelend en het besef drong door dat ‘de geest van Karadzic’ elke politieke en economische vooruitgang in Bosnië in de weg stond.

Eerst werd het geld bevroren van Karadzic’ familie en zijn vertrouwelingen. In 2004 ontsloeg Paddy Ashdown, die als hoge vertegenwoordiger van de internationale gemeenschap toeziet op Bosnië, in een klap zeventig Bosnisch-Servische politici en politiemannen omdat ze banden met Karadzic bleven onderhouden. ‘Het net wordt steeds nauwer aangehaald’, klonk het.

Maar een arrestatie bleef uit, tot gisteren. Bronnen bij het Tribunaal lieten verstaan dat Karadzic geregeld in Montenegro verbleef, waar Navo-soldaten geen toegang hebben. Bovendien kregen Navo-soldaten van het Tribunaal te horen dat ze Karadzic levend moesten hebben – met een dode Karadzic waren ze niets.