camera closecorrect Verwijs ds2 facebook nextprevshare twitter video

een getuigenis van Angelo Tijssens

Niet nu, niet hier, niet met mij

Op een koude herfstavond staat schrijver en scenarist Angelo Tijssens in een nieuwe, lichtroze jas op de tram te wachten wanneer hij plots wordt aangevallen. Eerst fysiek, daarna verbaal. ‘Omdat het kan, gewoon omdat het kan.’

zaterdag 3 december 2022 om 3.25 uur

Fred Debrock

Ik heb een nieuwe jas. Oversized, geschikt voor dit klimaat: bestand tegen regen, de kraag kan omhoog als het waait. De jas is groot genoeg om mij, een dikke trui én een dikke sjaal te ­beschermen tegen de elementen, de zakken diep. De jas is lichtroze, het soort roze dat de hemel kan hebben wanneer de zon net opkomt, net na het blauw. Het soort roze van bloemen die de dag erna wit zijn. Het soort roze dat verdwijnt.

De tramhalte vlakbij, daar waar mijn stamcafé is en de bakker die ons elk weekend van stokbrood voorziet, is leeg. Ik ben de enige die op tram vier wacht. Het is iets voor vijf. Ik luister naar muziek terwijl ik door foto’s van vrienden scroll. De buren zijn bevallen, iemand is ergens op een terras in een land waar het nu niet regent. Nu en dan kijk ik op, om te zien dat de tram acht, zeven en dan plots drie minuten van mijn halte verwijderd is. Toen we gisteren de kerstboom versierden, werkte een van de lichtslingers niet meer, dus ga ik naar de winkel.

 Maria van Driel

De volgende keer dat ik opkijk, is vlak na een harde klap op mijn schouder. Ik schrik, denk: iemand viel, het ­regent, de vloer is glad. Dan zie ik twee mannen staan. Ik haal één oortje uit en vraag wat het probleem is. Ze grijnzen, de mannen. Ze zijn rustig. Het zijn doordeweekse mannen die je in een tweedehands Audi verwacht, of op de trein, krant op de schoot, indommelend en schommelend bij elke wissel. Ooms, leraren wiskunde. Het soort mannen dat wekelijks naar de supermarkt gaat om inkopen te doen voor het hele gezin, dat kinderen leert ­fietsen, broers of zussen helpt ver­huizen na een breuk, padelt of zaal­voetbalt.

Jeanet

’s Nachts, op het terras boven op ons huis is het stil. Ik heb mijn nieuwe jas aan en ik adem. Ik corrigeer mezelf, mijn houding, schouders omlaag, knieën los, ik leg een hand op mijn borst en voel mijn hart kloppen. Te snel, te hard

Een van hen, degene die niet aan het vapen is, zegt dat ze zin hebben om ­iemand in elkaar te slaan, vooral dan zo’n jeanet als ik. Ik hoor het en nog voor ik het begrijp, verkrampt mijn lichaam, ik verstijf als een konijn in een mistlicht. Ik zet enkele stappen achteruit en zie de lege straat. Mijn café is gesloten, mijn bakker ook. Niemand ziet dit, niemand hoort dit en toch gebeurt het, dus ik bel meteen de politie en ik hoor hoe ik hardop zeg dat ik de politie bel. Doe maar, zegt de man, doe maar. Ik stap nog verder weg en hou mijn gsm omhoog alsof ik aan het filmen ben, wat niet zo is want, zo leer ik nu, je kunt niet bellen en filmen tegelijk. De camera, de dreiging van de camera, houdt het geweld even op afstand. De vaper komt dichterbij en ik zeg blijf daar, blijf staan, zeg ik en ik hoor het bandje van de hulpdiensten dat me zegt dat het meteen aan mij is en ik doe alsof ik met iemand praat, ik zeg waar ik ben en wat er gebeurt en dat een van hen een donkeroranje broek draagt, een gestreepte muts en de andere een bril en dat ik aan de tramhalte sta en ik stap nog verder achteruit, langs de tafels en de stoelen op het natgeregende terras van het café. Wanneer ik eindelijk iemand aan de lijn krijg, vertel ik luider dan nodig waar ik ben en wat er gebeurt. De stem zegt dat de collega’s onderweg zijn en niet lang daarna haakt ze in en ik zie de twee nog staan, grijnzend. Dan, eindelijk, komt de tram aan, enkele mensen stappen af en de vaper wandelt naar de dubbele open deuren. Het signaal dat ze binnenkort gaan sluiten is al te ­horen. Ik haal opnieuw mijn telefoon boven en neem foto’s – om zeker te zijn dat ik beelden van hen heb, dat ze niet doodleuk en doodnormaal op de tram stappen en verdwijnen. Dan roept de muts dat ik de foto’s moet wissen of dat ze mij op mijn gezicht gaan slaan. Aan de andere straathoek wachten enkele fietsers op groen licht. Niemand lijkt te zien wat er gebeurt, niemand grijpt in.

Kille procedure

Ik zie mezelf staan aan de overkant van de straat. Ik zie de mannen, de ­korte handeling, de vuist tegen mijn schouder, mijn tijdelijk wankelen. Ik zie dat er woorden worden uitgewisseld. Ik zie het gemak waarmee de mannen daar staan, de verlorenheid, de verlatenheid bij mij, alsof mijn ­nieuwe jas groeit, alsof ik krimp. Ik zie hoe banaal het is, hoe alledaags dit ­tafereel moet zijn. Ik moet zelf al tientallen keren een gelijkaardige situatie zijn gepasseerd zonder bewust te zijn dat er iets gaande is, dat er doods­angsten worden uitgestaan. Maar dat is het beeld vanaf de overkant van de straat. Hier, in mijn schoenen, is het vechten of vluchten. Weglopen, snel ­terug naar huis, naar waar mijn man is, op nog geen honderd meter van hier. Of vechten. De terrasstoelen zijn met staaldraad en sloten aan elkaar bevestigd, tegen diefstal en storm. De woede die ik voel is genoeg om de twee tot pulp te slaan, voor mij, voor wat ze ­deden, voor wat ze hiervoor misschien nog deden, voor iedereen die niet terugsloeg. Mijn vechten, nu, op dit moment, is het omhooghouden van een smartphone, de melding, de vastbe­radenheid om hen hiervoor ter verantwoording te roepen, om dit niet te laten passeren. Niet nu, niet hier, niet met mij. Ik ken de verhalen, ik las ze, ik hoorde ze van vrienden. Ik denk: dit is geen ongure steeg, dit zijn geen dronken jongens die hun mannelijkheid willen bewijzen door iemand die in hun ogen zwakker, vrouwelijker, onnodiger, vuil of zondig is, te vernederen, te kwetsen. Dit is niet hoe ik dacht dat het zou gaan. De banaliteit van dit moment is lachwekkend. Zie mij staan met mijn telefoon, hun grijnzen, de bewegende lippen, kalm, zo kalm, alsof het de bedoeling was, alsof het zo gepland was en ze enkel uitvoeren wat ze thuis zo vaak hebben gerepeteerd. Het is kil, ontdaan van emotie. Een procedure. Ik hoor de woorden niet, de verdovende ruis van de oortjes, de regen, de wind, het suizen van mijn bloed.

   • Saskia Decoster: ‘Ik laat het deze keer niet passeren’

 Maria van Driel

Ook wanneer de combi arriveert – zwaailichten, sirene, alles erop en eraan – blijven ze staan. Ik denk: loop dan toch weg, wandel door alsof er niets ­gebeurd is, maar ze wachten, tot de agenten uitgestapt zijn en hen vragen stellen. Ik ben inmiddels achter de combi gaan staan, om hun blikken te vermijden, niet langer in hun gezichtsveld te staan. Er staat een witte bestelwagen tussen mij en mijn belagers in. Wanneer de sirene zwijgt, is het stil op straat. Mijn man, die ik een bericht stuurde terwijl ik deed alsof ik telefoneerde, is er ook net. Hij gaat samen met mij de combi in, met de vrouwe­lijke agent. Haar collega praat met de muts en de vaper, aan de overkant van de straat.

Alles is gevaar

Na mijn verklaring – ik probeer zonder interpretatie de feiten te dicteren, ik vecht tegen tranen met taal – vraagt mijn man die inmiddels ook arriveerde, aan de andere agent wat de mannen hebben verklaard, wat hun uitleg was, wat zij te vertellen hadden. De agent zegt dat ze ongeveer hetzelfde hebben gezegd. Ik kijk naar mijn man, hoe die naar mij kijkt en ik kijk naar het grijsblauwe tafeltje waarop de laptop staat met mijn verklaring en ik zie dat er bloedvlekken zijn en een haar dat onmogelijk van mij kan zijn. Ik vind het vuil en vies en ik hoor hoe mijn man ‘wow amai’ zegt en pas later besef ik hoe totaal absurd dat is, dat je een vreemde in een voor jou vreemde jas aanvalt en ermee dreigt hem nog meer pijn te doen, gewoon omdat je zin hebt om iemand in elkaar te slaan, vooral dan zo’n jeanet als ik, dat je niet wegloopt omdat je beseft dat je te ver bent gegaan maar stoïcijns blijft staan, overtuigd van jezelf en je maat en je gelijk en je recht om dat te doen, alsof er geen gevolgen zijn. Hij zegt dat ze al weg zijn, dat ze vertrokken zijn, dat zijn vrouw aan het wachten was.

De straatverlichting is inmiddels aan. Ik stap uit de combi (na een waarschuwing van de agenten dat ik de ­foto’s van de mannen beter zou wissen of toch zeker niet openbaar delen want dat is strafbaar) en besef nog maar half hoe hard dit in de komende uren en ­dagen zal binnenkomen, alsof men een blok beton, een tramhalte, een doorweekt terras op mijn borst zet. Een druk die me klein wil houden. Mijn ­hele lijf schreeuwt de hele tijd dat er gevaar is, wanneer ik wacht tot mijn eten warm is, wanneer ik in de zetel zit, een vriendin bel om te vragen wat ik moet doen want ik weet het niet, mijn aansteker niet vind, de kat aai, de andere kat aai, mijn bad laat vollopen: alles is gevaar als de sensoren kapot zijn. Dat vervelende piepje van een rookalarm waarvan de batterij bijna leeg is: ook dit is gevaar: ik werk niet meer.

Dit is niet hoe ik dacht dat het zou gaan. De banaliteit van dit moment is lachwekkend. Zie mij staan met mijn telefoon, hun grijnzen, de bewegende lippen, kalm, zo kalm, alsof het de bedoeling was, alsof het zo gepland was

Ik ben te vroeg voor mijn afspraak bij de huisarts dus ik wandel nog wat rond. Ik bel de politie omdat ik een ­kopie van mijn verklaring wil om na te lezen wat ik zei, of wat zij noteerde wel klopt. Ik schreef thuis alles al uit om ­zeker te zijn dat ik niets vergeet, dat het juist en accuraat is. De stem zegt dat dat één à twee weken kan duren, dat het dan naar de GAS-ambtenaar gaat. Ik denk: die boetes zijn er voor als je te vroeg je huisvuil buiten zet of op de trappen van een kerk een broodje eet of op de Meir kakt. Ik zeg: ik wil mijn verklaring nalezen. Ik wil de woorden controleren, geen fouten maken, de volg­orde van de woorden, de choreografie. Ik wil dat er staat dat mijn jas roze is, mijn oogschaduw doorzichtig blinkend (metalic staat op het doosje, ik kijk het na), mijn nagels gelakt want daar ging het om. Om de vorm. Ik wil dat er staat dat ik de mannen niet ken, dat ik hen ook niet had opgemerkt, dat ik enkel en alleen bezig was met staan en met bestaan en dat dat voor hen voldoende was om te doen wat ze deden.

 Maria van Driel

De praktijk van mijn dokter is in dezelfde straat waar de tram rijdt, waar de bakker is en het café. Ik ga terug en zie mezelf staan in mijn grote, roze jas, ­terwijl ik kijk of er ergens camera’s hangen. Ik zie mezelf in de vierkante spiegel, rood-wit omrand, die de tramchauffeur gebruikt om zich ervan te vergewissen dat er niemand tussen de deuren zit of er niet nog iemand, ­hijgend, met éen arm in de lucht komt aangerend om nog mee te kunnen. Er is niemand. Ik ben er, mijn spierpijn is er, de angst die zich tussen mijn schouderbladen heeft genesteld, tussen mijn slapen, die mijn denken en doen overneemt en me nu al meer dan een week verhindert de slaap te vatten.

Wegwerpmensen

’s Nachts, op het terras boven op ons huis is het stil. Er rijden geen trams, het verkeer in de verte klinkt als een zee die zachtjes ruist. Ik heb mijn nieuwe jas aan en ik adem. Ik corrigeer mezelf, mijn houding, schouders omlaag, knieën los, ik leg een hand op mijn borst en voel mijn hart kloppen. Te snel, te hard. Beneden loopt een bad leeg. Warm water is het enige dat helpt, het enige dat een beetje helpt. Een vriendin zegt dat ik mijn lichaam geborgenheid moet gunnen, warmte, ­veiligheid. In bad kijk ik naar The Simp­sons, de ene aflevering na de andere. In één aflevering, de vijfde van het drieëndertigste seizoen, maakt Marge een ­opmerking over het uiterlijk van Lisa. De makers tonen dat als een betonnen woord dat in het onderbewustzijn van Lisa enorme proporties aanneemt. Ik staar in het donker voor mij uit en zie enkel de muur, het beton, de sporen van de bekisting. Ik sta er te dicht bij om te zien wat het woord is, ik kan het niet beklimmen, bekijken, bevatten. De komende tijd zal ik langzaam achteruit moeten stappen, afstand moeten leren nemen.

   • Het roze leger: waarom Oekraïense homo’s vechten voor hun land

Op het perron waarschuwt een stem voor een doorrijdende trein. Ik zie een man, donkerblauwe muts over zijn oren, de blik eerst naar de grond en dan naar mij gericht. Ik zie het zo voor mij, hoe hij mij hier op dit quasi verlaten perron met één krachtige beweging voor die denderende trein duwt, blijft staan en achteraf gewoon verklaart dat hij mij voor de trein duwde. Omdat hij al zo vaak hoorde en las dat mensen ­zoals ik geen echte mannen zijn, dat we niet echt zijn, dat we de cultuur ver­vuilen, op kinderen jagen, het volk verraden, niet meer zijn dan de karikatuur waar ze mee mogen lachen, wegwerpmensen. Omdat niemand hem corrigeerde, omdat het kan, gewoon omdat het kan. Ik haal mijn handen uit mijn diepe zakken. Ik neem de tas die naast mijn voeten staat en terwijl de trein met veel lawaai voorbijrijdt, stap ik naar het enige bankje, ga naast een vrouw zitten die meteen haar handtas op schoot neemt en dan mijn handen rond mijn telefoon ziet, de groene glitternagellak. Ze glimlacht en ik glimlach terug: ik ben niet langer een bedreiging. De trein arriveert en ik scan het perron op zoek naar de man met de muts, vind hem niet en stap op. Dit is een van de weinige afspraken die ik niet kon afzeggen. De rest van mijn agenda is wel zo goed als leeg. De leegte maakt me bang en de afspraken maken me bang. Alles maakt me bang.

Nog voor we aan het volgende station stoppen, komt er een mail binnen. De klacht werd naar het parket doorgestuurd. Ik zucht. Volgende week spreek ik met een advocaat, volgende week is er een eerste sessie bij een therapeut, een tweede afspraak bij de dokter. De trein schudt heen en weer en ik schud mee, omdat ik geen keuze heb, omdat ik niet tegen de beweging in kan gaan, hoezeer mijn lijf zich ook verzet.

Onderweg naar huis kom ik voorbij een winkel vol kerstversiering. Ik koop lichtjes, warm licht. Drie dozen.

Niet te missen

LEES OOK

De podcasts van De Standaard

Niet te missen