Waarom duurt bij een vliegreis het dalen langer dan het opstijgen?
Foto: belga

Het klinkt contra-intuïtief. Het kost veel brandstof om omhoog te vliegen, maar om te dalen hoef je geen druppel kerosine te verbranden. Hoe is het dan te verklaren dat vliegtuigen er doorgaans minder lang over doen om op kruishoogte te komen dan om te dalen?

‘Stijgen duurt gemiddeld ongeveer 15 minuten’, vertelt luchtvaartdeskundige Joris Melkert van de TU Delft. ‘Met dalen zijn piloten vaak wel 20 minuten bezig. Dat laatste kan in principe veel sneller. Als de piloot de knuppel naar ­voren duwt, ben je binnen een paar minuten van 10 kilometer hoogte aan de grond. Maar dan komt het bloed je uit de oren.’

Dat overkwam passagiers van een ­Ryanair-vlucht van Dublin naar Kroatië een paar jaar geleden. Door een technisch probleem moest het toestel zo snel mogelijk dalen. Tientallen mensen moesten naar het ziekenhuis met bloedende oren.

   • Supersonisch vliegen weer stap dichterbij

Door een verhoging of verlaging van de luchtdruk ontstaat er druk op je trommelvlies. Normaal heb je voldoende tijd om hiervoor te compenseren: te ‘klaren’. Door te kauwen, slikken of gapen open je de buis van Eustachius, waardoor de luchtdruk aan weerskanten van het trommelvlies gelijk wordt.

Dat het bloed bij de passagiers uit de oren kwam, was in dit geval onvermijdelijk. Normaal doen luchtvaartmaatschappijen er alles aan om zelfs lichte pijntjes en irritatie zo veel mogelijk te voor­komen. ‘Dat betekent dat ze het liefst ­dalen met een snelheid van ongeveer 1.500 voet (450 meter) per minuut. Een snellere daling levert meer ongemak op.’

Opmerkelijk genoeg geeft een snelle stijging minder problemen. ‘Piloten stijgen doorgaans met zo’n 2.500 voet per minuut, zonder probleem’, zegt Melkert.

Vierdimensionale puzzel

Maar comfort verklaart maar ten dele het verschil in stijg- en daalsnelheid. De logistieke puzzel die verkeersleiders moeten leggen, is bij landende vliegtuigen een stuk complexer dan bij opstijgende toestellen. Vliegtuigen uit ­alle windrichtingen komen samen in een piepkleine ruimte. Op een grote internationale luchthaven als Zaventem landt elke twee minuten een toestel.

Als piloten het voor het zeggen hadden, zouden ze op zo’n 200 kilometer ­afstand gas terugnemen en in een soepele zweefvlucht de resterende reis tot aan de landingsbaan afleggen, vertelt Melkert. Maar ze krijgen regelmatig opdracht van de verkeerstoren om even horizontaal te vliegen, een ruime bocht te maken, of andere capriolen uit te halen, zodat zij hun vierdimensionale puzzel kunnen leggen.

‘Opstijgen is een stuk simpeler. Vliegtuigen waaieren alle kanten uit zodra ze in de lucht zijn. En dan is het zaak om snel hoogte te winnen. Je creëert meer afstand tot andere vliegtuigen. Dat is veiliger. ­Bovendien is de lucht ijler op grote hoogte, waardoor je er sneller en efficiënter kunt vliegen.’

Wist je dat je ook zonder abonnement elke maand 3 betalende  plus-artikels kunt lezen?

Meld je aan en lees gratis ›

Vul je e-mailadres en wachtwoord in