camera closecorrect Verwijs ds2 facebook nextprevshare twitter video

Taaltest

Doe de woke-test: 6 pleidooien voor een inclusief woord

Taal die rekening houdt met een ander, daar focust De Standaard op tijdens de Week van het Nederlands. Zes lezers breken een lans voor of tegen een woord dat hen beroert.

dinsdag 4 oktober 2022 om 3.25 uur

Johan Dockx

In den beginne was er het woord. Hoe wisten we anders dat er licht was? Het is een boutade, maar wel een die hout snijdt, als een pas geslepen Zwitsers zakmes. Zonder woorden geen dingen of begrippen, maar één grijze brij. Woorden bakenen af, verlichten, omhelzen, sluiten uit. Een wel­gemikt woord zet aan tot nadenken of tot actie. Het verandert het ­perspectief, en wekt begrip, respect of soms ook woede op.

Tijdens de Week van het ­Nederlands zoomt De Standaard in op de kracht van taal, en dan vooral op taal die de ogen opent, mensen omarmt, of ze ergens toe beweegt. In onze app kunt u de hele week uittesten hoe inclusief uw taalgebruik is. En op onze site hielden we een lezersoproep: in wie brandde een pleidooi voor of tegen een (al dan niet inclusief) woord? De oogst: een hoop ­verfrissende voorstellen, heel wat lezers struikelden over de kwestie wit vs. blank, en ten slotte toonde de oproep vooral dat inclusiviteit – contradictorisch genoeg – vaak erg persoonlijk is: een woord dat de ene van de tong rolt, staat op de mostwantedlijst van de ander. We ­selecteerden voor u zes reacties.

Bianca Fraipont (43), data-analist antiwitwasteam Argenta

Ander dier

‘Deze zomer las ik een paar boeken die me een echte ­woke-ervaring bezorgden, in de zuivere zin van het woord. Ze openden mijn ogen voor iets wat ik eerder slechts ­latent aanvoelde: Dierentalen van Eva Meijer en Zijn we slim genoeg om te weten hoe slim dieren zijn? van Frans de Waal.’

‘Meijer hanteert consequent de term andere dieren. Net dat eerste woord, ­ander, slaat de brug naar ons, mensen. Het plaatst de mens plots weer waar hij hoort: tussen de andere dieren. Hij is niet langer de wereldheerser die hij denkt te zijn.’

‘Als je met deze nieuwe blik je tuin of de natuur in trekt, dan beweeg je je niet langer in een decor, maar tussen wezens die net als wij bezig zijn met eten zoeken, een huis bouwen, een partner versieren, kinderen opvoeden, spelen … Dat ene woord, andere, maakt dat je ­bewuster in het leven staat. Het zet aan tot nederigheid, respect, empathie en verant­woordelijk­heidszin. Kan je nog zomaar achteloos een ander dier en zijn spinnenweb uit een hoekje van de ­kamer zuigen? Te weten dat we ­allemaal in hetzelfde schuitje zitten, biedt ook troost.’

‘Ik probeer de omschrijving nu ook zelf te gebruiken. Wie weet zet het andere mensen ook aan het denken. Misschien denkt er soms wel iemand, “nu sla je wel erg door”, maar tot nu toe durfde nog ­niemand dat tegen mij te zeggen. (lacht)

‘Voor mij hoef je geen vegetariër te worden. Alleen al beseffen dat andere ­dieren hun leven leiden zoals wij, zou al veel zijn. Fascinerend hoe taal onze blik bepaalt. Andere dieren kan een eerste stap zijn in een nieuwe, wonderlijke wereld.’

Rita Ceuppens (66) Gepensioneerd, werkte op de documentatiedienst van 11.11.11

Wit of blank?

De Black Lives Matter-beweging heeft terecht de thema’s racisme en inclusie op de kaart gezet. Toch is voor mij het gebruik van wit of blank voor mensen met een bleke huidskleur een non-issue. Ik spreek verschillende talen, en mij lijkt het een probleem dat zich alleen in het Nederlands stelt, waar je beide vormen hebt, de ene met Germaanse, de andere met Romaanse roots. In het Engels is het white, in het Duits weiss, in het Frans blanc, in het Spaans blanco en in het Italiaans bianco. Het betekent allemaal wit, zij hebben geen ander woord voor die kleur.’

‘Voor mij is de discussie over dat woord een bijzaak. Het moet over hoofdzaken gaan: over het racisme dat in onze maatschappij aanwezig is, klassen­verschillen, over restitutie, onze omgang met de kolonisatie waar nog veel werk aan is. Ik weet echt niet of een witte persoon minder racistisch zou zijn – of worden – dan een blanke, alleen omdat je hem anders noemt.’

‘Het is me ook niet echt ­duidelijk tot in welke finesse je dan moet gaan. Tot op welk ­niveau ben je dan blank of wit? Mijn man is Chileen, hij heeft voor een kwart inheems bloed. Of mensen uit de ­Maghreb? Ik heb het niet zo voor gelijk welke kleuren­indeling van mensen.’

‘Voor mij mag iedereen de woorden ­gebruiken waarbij hij zich goed voelt, ­zolang ze andere mensen er niet mee kwetsen – het n-woord bijvoorbeeld kan níét. Mij mag je ook gerust roze noemen, zoals de Zuid-Afrikaanse antiapartheidsstrijder Steve Biko voorstelde. Zolang je me maar geen smurf noemt. (lacht)

Marijke De Belder (39) Docente Nederlandse taalkunde Universiteit Utrecht

Slaafgemaakte

‘Een woord dat in mijn hoofd een klik maakte, is slaaf­gemaakte. Vier jaar geleden kwam ik het tegen toen ik wat opzocht over de geschiedenis van Suriname. Dat artikel was door een Surinamer geschreven, door een niet-westerse bril, door iemand die zich vermoedelijk meer identificeerde met de slachtoffers dan met de daders.’

‘Want dat is wat het woord slaaf­gemaakte doet: het neemt het perspectief van het slachtoffer aan. Slaaf daarentegen past in het perspectief van de dader, de ­eigenaar van die slaaf. Het is een erfenis uit het verleden, van het kolonialisme en de perverse wetten die slavernij toelieten. Vandaag zien we dat als een misdaad. Vergelijk even met hoe we over andere misdaden spreken. Daar nemen we niet het perspectief van de dader aan. Een extreem voorbeeld, nooit zou je zeggen: “Dat vijfjarige jongetje was de minnaar van die pedoseksueel.”’

‘Als ik ooit slaafgemaakt zou worden, zou ik willen dat men over mij zou spreken met de term slaafgemaakte dan met slavin. Het zou mijn waardigheid achter mijn lot respecteren. Het woord zou weigeren toe te stemmen met het idee dat ik het bezit ben van de dader. Ik probeer slaaf­gemaakte ook zelf te gebruiken, maar het is oefenen. Soms neem je nog woorden in de mond waarvan je afscheid wilt nemen. Maar zeker als ik schrijf, doe ik het niet.

‘Ik hoop wel dat het woord ingang vindt in ons taalgebruik. Als mensen over zwakkeren in de maatschappij spreken, doen ze dat vaak met een hardheid alsof het hen zelf nooit zou overkomen. Ik ­probeer te spreken en te leven alsof ik wél ooit een vluchteling of slaafgemaakte zou kunnen zijn. Behandel je naaste zoals je zelf behandeld wilt worden – al is die een slachtoffer van een Romeinse veldheer tweeduizend jaar geleden, het is een mens geweest. (stilte) Ik vind dit geen extreem standpunt. Ik hóóp dat dit geen extreem standpunt is.’

Petra Damen (53) Publiekswerkster in het Theater

*Vreemdeling

‘Al sinds mijn aankomst in België, in 1994, stoor ik me aan het gebruik van het woord vreemdeling. Vooral in overheidscommunicatie is het standaardtaal. Als Nederlandse moest ik me regelmatig bij het vreemdelingenloket aandienen om mijn verblijfskaart te verlengen. Dan voel je je, net als in het lied “Englishman in New York”, a legal alien.’

‘Intussen is het woord nieuwkomer steeds meer ingeburgerd, vooral op stedelijk niveau, zoals in Antwerpen. Maar in overheidsinformatie op nationaal niveau, zowel in België als in Nederland, is het nog volop in gebruik. Zo heeft de DVZ, de Dienst Vreemdelingenzaken, en in Nederland de IND, de Immigratie- en Naturalisatiedienst, het nog altijd over documenten voor vreemdelingen, vreemdelingentoezicht, enzovoort. Ook in de omgangstaal hoor je het nog ontzettend vaak.’

‘Woorden als vreemdeling of illegaal ­gebruiken voor mensen die naar je land komen, getuigt van een kleinburgerlijke, angstige ­manier van omgaan met alles wat een tikje anders is dan het zogenaamde “wij”. Het sluit uit, in plaats van dat het invoegt.Of is het misschien de bedoeling om de vreemdeling zo lang mogelijk het gevoel te geven dat hij niet thuishoort in het land waar hij door een schikking van het lot beland is?

‘Hoe lang blijf je een vreemdeling, een nieuwkomer of een vluchteling? Op een gegeven moment ben je toch weer gewoon een mens, met een vluchtelingen- of welke achtergrond dan ook? Laten we de Dienst Vreemdelingenzaken de Dienst Burgerzaken noemen. Al heb je dan nog niet al je burgerrechten, je bent wel een burger. Dat is een heel gelijkwaardig woord.’

‘En misschien zouden we, ondanks ­onze aangeboren interesse in de achtergrond van een ander, ook wat meer kunnen focussen op de vraag waar die naartoe gaat in plaats van waar die vandaan komt. We zijn allemaal even vreemd, de ene niet vreemder dan de ander.’

Margo Van den Eynde (26) Illustratrice en grafisch vormgeefster Chirojeugd Vlaanderen

*Slachtoffer

‘Seksueel grensoverschrijdend gedrag is een thema dat met de regelmaat van de klok terugkomt in het nieuws. Hoofdrolspelers daarbij zijn steevast dader en slachtoffer. Als ervaringsdeskundige uit de tweede categorie heb ik het lastig met het woord slachtoffer, en dan in het ­bijzonder binnen dit thema.’

‘Er hangt een soort van beschuldiging aan het woord: heb je wel nee gezegd, wat had je aan, was je dronken? Dat het mij is overkomen, lijkt plots mijn verantwoordelijkheid en niet die van de dader. Vaak is het ook woord tegen woord. Het voelt bovendien aan als een titel die je moet verdienen. Is wat ik heb meegemaakt, wel erg genoeg? Overdrijf ik niet? Bij een overval zijn er bewijzen, je bent je spullen kwijt. Daar moet je je “titulatuur” als slachtoffer niet verdedigen.’

‘Ik hoor anderen de term slachtoffer niet graag in de mond nemen, maar ik zeg het ook niet graag over mezelf. Het woord hangt als handboeien aan mij. Het immobiliseert me en duwt me in een hokje waar ik niet in wil zitten. Zodra ik een slachtoffer ben, ben ik alleen maar dat. Wanneer anderen het gebruiken, voel ik me gereduceerd tot een hulpeloos hert.’

‘Ik ben nog steeds op zoek naar een ­beter, zachter alternatief voor het woord. Heeft iemand een suggestie?’

Walter Buydens (64) Ceo Turbulent, producent van microwaterkrachtcentrales

Ontluikende economie

‘Al van lang voor het woord woke geboren werd, verafschuw ik de term ontwikkelingsland, dat – net als onderontwikkeld land – nog ­frequent opduikt in ons dagelijks taalgebruik. Het klinkt niet alleen oubollig, je vergelijkt impliciet met ontwikkeld land. Alsof er dus een barema zou bestaan met als summum het volledig ontwikkelde land – het Utopia van Thomas More. Maar dan hebben we het zeker niet over de VS, Canada of pakweg België of Duitsland – westerse landen waar nog heel veel te ontwikkelen valt.’

‘Ook het meer hedendaagse the Global South, het Globale Zuiden, kan me niet bekoren, onder meer omdat het Zuidoost-Azië, Afrika en Zuid-Amerika onder dezelfde mat veegt. Een Vietnamees of Oegandees heeft er trouwens geen behoefte aan om benoemd te worden met door het Westen bedachte, meelijwekkende termen. Ze beslissen wel voor zichzelf.

‘Vandaar mijn suggestie: ontluikende economieën. Daar gaat iets krachtigs en spannend toekomstgerichts van uit. Ontluikend is iets dat opengaat als een bloesem uit een knop aan een appelboom. Hoe gaat de economie in kwestie zich ontvouwen?

‘Zelf heb ik developing countries op al onze websites laten vervangen door emerging economies. Het lastigste is daar nog: hoe omschrijf je dan het Westen? We gebruiken vaak industrialized countries, dan heb je bijvoorbeeld ook Taiwan of Australië mee. Maar wat als wij binnenkort, na alle disrupties van de afgelopen jaren – een pandemie, een oorlog, wie weet eens een kikkerplaag – een gedeïndustrialiseerd land worden, en de Vietnamees en de Oegandees ons economisch inhalen? Benieuwd welke term we dan voor die landen zullen bedenken.’

Niet te missen

LEES OOK

De podcasts van De Standaard

Niet te missen