Screening borstkanker wordt wellicht niet uitgebreid
Europa suggereerde om de doelgroep van vrouwen voor screening op borstkanker uit te breiden naar 45-74 jaar, waar dat nu nog 50-69 jaar is.   Foto:  Marc Herremans

Europa wil dat lidstaten meer mensen op meer soorten kanker screenen. In Vlaanderen ziet men niet veel redenen om veel te veranderen. ‘De huisarts kan bepalen of een onderzoek nuttig is.’

Hoe meer kankers in een vroeg stadium ontdekt worden, hoe beter de overlevingskansen voor de patiënt. De Europese Commissie stelde deze week ideeën voor om de vroegdetectie te verbeteren. Tegen 2025 wil het dat 90% van wie in aanmerking komt ook effectief kankerscreening aangeboden krijgt tegen borst-, baarmoederhals- en darmkanker. Screening zou ook uitgebreid moeten worden naar prostaat-, long- en maagkanker.

Vrijdagochtend vergaderde een interkabinettenwerkgroep met onder meer aanwezigen uit het domein Volksgezondheid. Daarin werd onder andere het standpunt meegegeven van het Agentschap Zorg en Gezondheid samen met dat van het Centrum voor Kankeropsporing.

Borstkanker

Een meer opvallende Europese suggestie was om de doelgroep van vrouwen voor screening op borstkanker uit te breiden naar 45-74 jaar, waar dat nu nog 50-69 jaar is.

‘Dat is een grote groep en als je daar zou screenen, zorgt dat voor een grote extra kost. Daar is op zich geen bezwaar tegen, maar er is geen evidentie dat het nuttig is’, zegt oncoloog Erik Van Limbergen (KU Leuven). ‘Borstkanker bij patiënten onder de 50 zie je vaak in familiale hoogrisicogroepen. Die worden al goed opgevolgd. Bij de rest van die jongere bevolking is het aantal kankergevallen heel beperkt.’

Uitbreiden naar een hogere leeftijdsgroep is nuttiger, al moet dat niet via een groot bevolkingsonderzoek. ‘De huisarts zou in specifieke gevallen kunnen bepalen of een onderzoek nuttig is, bij wie nog een goede levensverwachting heeft van bijvoorbeeld vijftien jaar’, aldus Van Limbergen.

Longkanker

In ons land bestaat nu geen algemene screening op longkanker, al zien specialisten zeker baten voor zware rokers. Ook daar stelt Europa voor om hoogrisicogroepen – zware rokers – aan preventief onderzoek te onderwerpen. Concreet gaat het om rokers met meer dan dertig ‘pakjaren’ op de teller. Dat wil zeggen dat je omgerekend dertig jaar lang twintig sigaretten per dag hebt gerookt.

‘Dat moet onderzocht worden, zeker als er ook wordt ingezet op rookstopbegeleiding, want voorkomen blijft beter dan genezen’, zegt directeur van het Centrum voor Kankeropsporing Patrick Martens. ‘Er wordt al een tijd gewerkt aan zo’n screening, maar evident is dat niet vanuit het standpunt van bevolkingsonderzoek. Zo weet je bijvoorbeeld niet wie die hoeveelheid heeft gerookt. Je moet op een bepaalde manier die informatie verzamelen, op een privacyvriendelijke manier. Stap voor stap moet je zoiets evalueren.’

Andere kankers

Voor prostaatkanker wil Europa een vroegere screening, maar de wetenschappers halen aan dat in ons land prostaatkanker zeer vaak in een vroeg stadium (1 of 2) wordt ontdekt. ‘De overlevingskans na vijf jaar is 98 procent. Dat is al zeer goed. Biedt een systematische screening dan nog veel voordeel? Er is een groot risico op overdiagnose en overbehandeling. Ongeveer een derde van de prostaatkankers evolueert zo traag dat je er nooit last van gaat hebben. De behandeling geeft dan wel mogelijke nadelen zoals impotentie en incontinentie, maar geen voordelen.’

Ook is er het advies om voor baarmoederhalskanker over te schakelen van het traditionele PAP-uitstrijkje naar een specifieke HPV-test om de vijf jaar vanaf de leeftijd van 30 jaar. ‘Daar is meteen ook zelfafname mogelijk, wat niet kan bij de PAP-test. Dit is al in gang gezet, maar ook hier is het belangrijk dat we eerst het hele screeningsproces vanaf uitnodiging, toegankelijke juiste informatie , test, resultaat , registratie en opvolging kwalitatief uitbouwen.’

Europa stelt ook voor om screening voor dikkedarmkanker van 55 naar 50 jaar te brengen, al gebeurt in ons land al op die manier.

Voorlopig is de visie vanuit Vlaanderen een standpunt dat uiteindelijk via een federaal advies op Europees niveau door de lidstaten moet worden bekeken. Pas daarna wordt vanuit Europa een concreet plan voorgesteld.